AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Tussentijdse beëindiging van wettelijke schuldsaneringsregeling wegens tekortkoming in sollicitatieplicht
Bij vonnis van 10 oktober 2016 werd de wettelijke schuldsaneringsregeling toegepast op schuldenaar. De bewindvoerder verzocht tussentijdse beëindiging vanwege tekortkomingen in de nakoming van de informatie- en sollicitatieplicht. Na eerdere waarschuwingen, verhoren en verlenging van de regeling, bleek dat schuldenaar sinds 1 september 2019 geen sollicitatiebewijzen had overlegd.
Schuldenaar betwistte het GGD-rapport dat hem arbeidscapaciteit toekende, maar maakte geen bezwaar of herkeuring. De rechtbank oordeelde dat schuldenaar en zijn beschermingsbewindvoerder nalieten hun rechten te benutten en dat schuldenaar toerekenbaar tekort is geschoten in zijn verplichtingen. De regeling wordt daarom beëindigd op grond van artikel 350 lid 3 sub c FaillissementswetPro.
De rechtbank stelt het salaris van de bewindvoerder vast op maximaal € 2.763,07 en constateert dat er geen baten zijn voor voldoening van vorderingen. Er is geen sprake van faillissement van rechtswege. Tegen het vonnis staat hoger beroep open binnen acht dagen, uitsluitend via advocaat.
Uitkomst: De rechtbank beëindigt de wettelijke schuldsaneringsregeling wegens toerekenbare tekortkomingen in de nakoming van de sollicitatieplicht.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
tussentijdse beëindiging
insolventienummer: [nummer]
uitspraakdatum: 12 juni 2020
Bij vonnis van deze rechtbank van 10 oktober 2016 is de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van:
[naam 1],
[adres, postcode en woonplaats]
,
schuldenaar,
bewindvoerder: [naam 2] .
1.De procedure
De bewindvoerder heeft de rechter-commissaris verzocht de schuldsaneringsregeling voor tussentijdse beëindiging voor te dragen. De rechter-commissaris heeft op 14 mei 2020 met dit verzoek ingestemd.
Op 22 mei heeft de bewindvoerder aan de rechtbank de laatste stand van zaken verzonden.
De bewindvoerder en schuldenaar, bijgestaan door [naam 3] van [naam instelling] (hierna: beschermingsbewindvoerder), zijn gehoord ter terechtzitting van 4 juni 2020.
De uitspraak is bepaald op heden.
2.De standpunten
Als grond voor de voordracht tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling is aangevoerd dat er sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de informatie- en sollicitatieplicht van schuldenaar.
Schuldenaar heeft de bewindvoerder niet (tijdig) of onvolledig geïnformeerd.
Uit de stukken en het hetgeen verhandeld is ter zitting blijkt dat de tekortkoming in de nakoming van de sollicitatieverplichting ertoe heeft geleid dat de rechter-commissaris op 1 juni 2017 een strenge brief heeft verzonden naar schuldenaar. Voorts heeft deze tekortkoming geleidt tot een verhoor met de rechter-commissaris, welke plaats heeft gevonden op 1 december 2017.
Op 22 juni 2018 heeft op grond van deze tekortkoming de eerste terechtzitting tot tussentijdse beëindiging van de regeling plaatsgevonden. De rechtbank heeft dit verzoek bij vonnis van 29 juni 2018 afgewezen en heeft de regeling, ter compensatie van deze tekortkoming, met twintig maanden verlengd naar vier jaar en zes maanden. De regeling zou daarmee op 10 juni 2021 eindigen.
Op 30 juli 2019 heeft op grond van deze tekortkoming de tweede terechtzitting tot tussentijdse beëindiging van de regeling plaatsgevonden. De rechtbank heeft de behandeling twee maanden aangehouden om een rapport van de GGD af te wachten zodat de arbeidscapaciteit van schuldenaar vast te stellen is. Op grond van de resultaten van het GGD rapport van 7 augustus 2019 heeft de rechter- commissaris schuldenaar ontheven van zijn sollicitatieverplichting voor de periode van 1 augustus 2018 tot en met 31 augustus 2019.
Bij afwijzend vonnis van 24 september 2019 heeft de rechtbank vervolgens schuldenaar een laatste kans gegund om de regeling tot een goed einde te brengen. Hierbij heeft de rechtbank schuldenaar er expliciet op gewezen dat de sollicitatieplicht vanaf per 1 september 2019 weer van toepassing is op hem, evenals alle andere verplichtingen die voortvloeien uit de wettelijke schuldsaneringsregeling.
Uit de stukken van de bewindvoerder en hetgeen verhandeld is ter zitting blijkt dat er thans wederom sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de sollicitatieplicht. Schuldenaar heeft sinds 1 september 2019 geen sollicitaties overgelegd aan de bewindvoerder.
Uit het achtste bewindvoerdersverslag van 20 april 2020 blijkt voorts dat de bewindvoerder schuldenaar en de beschermingsbewindvoerder expliciet gewezen heeft op de herleefde sollicitatieverplichting van schuldenaar per 1 september 2019. Ten eerste middels het vonnis van de rechtbank van 24 september 2019 en ten tweede via een brief van de bewindvoerder die op 9 september 2019 is verstuurd naar schuldenaar en zijn beschermingsbewindvoerder. Ten derde via de -aan schuldenaar en beschermingsbewindvoerder verstrekte- laatste twee bewindvoerdersverslagen van respectievelijk 25 oktober 2019 en 20 april 2020. Voorts heeft de bewindvoerder ter terechtzitting verklaard dat er nog altijd geen sollicitaties zijn ingeleverd.
Schuldenaar heeft ter zitting aangevoerd dat hij het niet eens is met het rapport van de GGD waarin staat dat hij per 1 september 2019 weer licht werk kan verrichten. Hij heeft verklaard dat hij geen licht werk kan verrichten doordat hij hartproblemen en een lichte vorm van de ziekte van Parkinson heeft. Naar zijn mening is het onderzoek door de GGD te summier uitgevoerd.
Voorts heeft hij aangegeven dat hij niet op de hoogte was van de omstandigheid dat hij bezwaar had kunnen maken tegen de uitkomst van het rapport of dat hij zelf voor een herkeuring had moeten zorgen.
De beschermingsbewindvoerder heeft ter zitting aangegeven het zonde te vinden als de regeling tussentijds wordt beëindigd. Schuldenaar verliest daarmee het uitzicht om ooit van zijn schulden af te komen.
3.De beoordeling
De schuldsaneringsregeling biedt een schuldenaar in een problematische schuldensituatie de mogelijkheid om na drie jaar een schone lei te verkrijgen. Dit betekent in de voorliggende regeling dat een groot deel van de schuld van € 11.812,04 niet langer opeisbaar is. Tegenover dit perspectief staat een aantal niet lichtvaardig op te vatten verplichtingen. Zo dient de schuldenaar gedurende de toepassing van de regeling onder meer de bewindvoerder gevraagd en ongevraagd te informeren, zijn inkomen boven het vrij te laten bedrag af te dragen aan de boedelrekening en zich aantoonbaar tot het uiterste in te spannen om een fulltime dienstbetrekking te verkrijgen. Hiernaast mogen tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling geen bovenmatige nieuwe schulden ontstaan. Van de schuldenaar wordt een actieve houding verwacht bij het naleven van voornoemde verplichtingen. De rechtbank oordeelt dat schuldenaar toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de verplichtingen en overweegt daartoe als volgt.
De rechtbank is van oordeel dat schuldenaar toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn wettelijke verplichtingen onder de schuldsaneringsregeling. Hij is immers zijn informatie- en sollicitatieverplichting niet naar behoren nagekomen. Schuldenaar heeft de bewindvoerder niet (tijdig) en onvolledig geïnformeerd. Schuldenaar heeft in de periode vanaf 1 september 2019 tot op de dag van de terechtzitting geen sollicitatiebewijzen overgelegd aan de bewindvoerder. Schuldenaar is via meerdere wegen op de hoogte gesteld van de herleving van de sollicitatieplicht. Hierdoor wist schuldenaar, althans had hij kunnen weten, wat er van hem verwacht werd per die datum.
Uit het rapport van de GGD van 7 augustus 2019 blijkt dat schuldenaar per 1 september 2019 weer in staat is om te werken. Het had dan ook op de weg van schuldenaar en zijn beschermingsbewindvoerder gelegen om bezwaar te maken tegen dat rapport als hij het met de conclusies ervan niet eens was. Als alternatief hadden zij zelf een herkeuring uit kunnen laten voeren om de uitkomst van het rapport te weerleggen. Aangezien schuldenaar en zijn beschermingsbewindvoerder beide opties hebben nagelaten is daarmee de inhoud van het GGD rapport vast komen te staan. De omstandigheid dat schuldenaar niet wist dat hij bezwaar had kunnen maken tegen het rapport van de GGD, of dat hij zelf voor een herkeuring had moeten zorgen, valt in de risico sfeer van schuldenaar en zijn beschermingsbewindvoerder, temeer nu schuldenaar al enige malen met discussies over zijn arbeidscapaciteit geconfronteerd is geweest.
Dat bovengenoemde tekortkomingen schuldenaar niet te verwijten zijn, is onvoldoende aannemelijk geworden. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat schuldenaar, in elk geval de waarschuwingsbrief van de rechter-commissaris, het verhoor door de rechter- commissaris en de behandeling van de twee eerdere voordrachten tot tussentijdse beëindiging, goed op de hoogte moet zijn geweest van de verplichtingen van de schuldsaneringsregeling.
De toepassing van de schuldsaneringsregeling zal daarom worden beëindigd op grond van artikel 350, derde lid, onder c, Faillissementswet (hierna: Fw).
De rechtbank zal het salaris van de bewindvoerder en de door deze gemaakte kosten vaststellen.
De rechtbank stelt vast dat er geen baten beschikbaar zijn om daaruit vorderingen geheel of gedeeltelijk te voldoen. Er is daarom geen sprake van een faillissement van rechtswege zodra deze uitspraak in kracht van gewijsde gaat.
4.De beslissing
De rechtbank:
beëindigt de toepassing van de schuldsaneringsregeling;
stelt het salaris van de bewindvoerder, één en ander inclusief onkosten en omzetbelasting, vast op het aanwezig actief tot een bedrag van maximaal € 2.763,07.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. de Jong, rechter, en in aanwezigheid van mr. K. de Ridder, griffier, in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2020. [1]
De griffier is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.
Voetnoten
1.Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden gesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.