ECLI:NL:RBROT:2020:5374

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
30 april 2020
Publicatiedatum
19 juni 2020
Zaaknummer
C/10/595494 / FA RK 20-2905
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 WzdArt. 21 WzdArtikel 2 Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek rechterlijke machtiging voortzetting verblijf psychogeriatrische cliënt

Het CIZ verzocht de rechtbank Rotterdam om een rechterlijke machtiging tot voortzetting van het verblijf van een cliënte in een geregistreerde accommodatie op grond van artikel 24 van Pro de Wet zorg en dwang (Wzd). De mondelinge behandeling vond plaats op 30 april 2020, waarbij cliënte, haar advocaat, een arts en een verpleegkundige telefonisch werden gehoord vanwege COVID-19 maatregelen.

De rechtbank beoordeelde of het gedrag van cliënte, als gevolg van haar psychogeriatrische aandoening, leidde tot ernstig nadeel en of opname en verblijf noodzakelijk waren om dit te voorkomen. Cliënte gaf aan graag naar huis te willen en toonde verbaal verzet tegen het verblijf. De arts verklaarde dat cliënte niet vrijwillig wilde blijven, maar er was geen sprake van verzet in de zin van de Wzd omdat zij niet met drang, aandacht en overtuigingskracht was tegen te houden om vrijwillig in te stemmen.

De rechtbank concludeerde dat cliënte geen verzet toonde zoals bedoeld in de Wzd, mede omdat zij niet probeerde de afdeling te verlaten of de zorg te frustreren. Het verzoek tot machtiging werd daarom afgewezen. Tegen deze beschikking staat cassatie open.

Uitkomst: Het verzoek tot rechterlijke machtiging tot voortzetting van het verblijf wordt afgewezen wegens ontbreken van verzet in de zin van de Wzd.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team familie
Zaak-/rekestnummer: C/10/595494 / FA RK 20-2905
Schriftelijke uitwerking van de mondelinge beslissing van 30 april 2020 betreffende een rechterlijke machtiging tot voortzetting van het verblijf als bedoeld in artikel 24 van Pro de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten (hierna: Wzd)
op verzoek van:
het CIZ,
met betrekking tot:
[naam cliënte],
geboren op [geboortedatum cliënte] te [geboorteplaats cliënte] ,
hierna: cliënte,
wonende aan de [adres cliënte] , [woonplaats cliënte] ,
thans verblijvende in Stichting het Parkhuis aan de Haaswijkweg Oost 69A, 3319 GB te Dordrecht,
advocaat mr. Ch.J. Nicolaï te Schiedam.

1..Procesverloop

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoekschrift van het CIZ, ingekomen ter griffie op 23 april 2020.
1.2.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 30 april 2020.
Bij die gelegenheid zijn op grond van artikel 2 Tijdelijke Pro wet COVID-19 Justitie en Veiligheid de navolgende personen telefonisch gehoord, omdat het houden van een fysieke zitting vanwege het coronavirus niet mogelijk was:
 Cliënte in het bijzijn van [naam arts] , arts, en [naam verpleegkundige] , verpleegkundige
 De hiervoor genoemde advocaat van cliënte.
Allen zijn akkoord gegaan met deze wijze van horen.

2..Beoordeling

2.1.
De rechter kan op verzoek van het CIZ een rechterlijke machtiging tot voortzetting van het verblijf in een geregistreerde accommodatie verlenen als bedoeld in artikel 24 lid 1 Wzd Pro.
De machtiging kan slechts worden verleend indien naar het oordeel van de rechter het gedrag van een cliënt als gevolg van haar psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap, dan wel als gevolg van een daarmee gepaard gaande psychische stoornis of een combinatie daarvan, leidt tot ernstig nadeel. Daarnaast zijn de opname en het verblijf of voortzetting van het verblijf noodzakelijk om het ernstige nadeel te voorkomen of af te wenden en zijn er geen minder ingrijpende mogelijkheden om het ernstige nadeel te voorkomen of af te wenden.
2.2.
Cliënte laat desgevraagd aan de rechter weten dat zij wel heel graag naar huis zou willen. Zij is bijna 69 jaar getrouwd en het valt haar heel zwaar nu zonder haar man te zijn.
De arts licht toe, dat de behandelend arts de machtiging heeft aangevraagd omdat cliënte op zijn vraag of zij hier vrijwillig willen blijven steeds negatief antwoordt. In die zin is er verbaal verzet tegen het verblijf en verwacht de behandelend arts dat er geen art 21-besluit Wzd zal komen.
Volgens de advocaat is pas sprake van verzet als het zelfs niet met drang, aandacht en overtuigingskracht lukt om iemand de noodzakelijke zorg te verlenen. Zij verwijst in dit verband op de Memorie van Toelichting bij de totstandkoming van de Wzd. Er is gelet hierop bij cliënte geen verzet. Ook heeft zij de afdeling nooit proberen te verlaten, ook al kent zij al enige tijd de code van de toegangsdeur.
Daarop bevraagd laat de arts tijdens het horen weten, dat cliënte inderdaad niet heeft geprobeerd uit eigen beweging haar verblijf te beëindigen of de te ontvangen zorg te frustreren of weigeren. Wel heeft zij eenmalig geprobeerd een arts aan te klampen om met hem mee naar buiten te kunnen gaan.
Uit hetgeen is besproken tijdens het horen kan volgens de rechtbank niet worden afgeleid dat er sprake is van verzet bij cliënte in de zin van de Wzd.
2.3.
Gelet op het voorgaande wordt het verzoek afgewezen.

3..Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze beschikking is op 30 april 2020 mondeling gegeven door mr. M.L Sandberg-Crommelin, rechter, in tegenwoordigheid van mr. C.W. Wapenaar, griffier, en op 11 mei 2020 schriftelijk uitgewerkt en getekend.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.