ECLI:NL:RBROT:2020:5479

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
7 mei 2020
Publicatiedatum
22 juni 2020
Zaaknummer
C/10/595897 / FA RK 20-3116
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:1 WvggzArt. 7:7 WvggzArt. 7:8 WvggzArt. 1:4 WvggzArt. 2 Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtiging voortzetting crisismaatregel wegens verdwenen psychotisch toestandsbeeld

De officier van justitie verzocht bij de rechtbank Rotterdam om voortzetting van een op 1 mei 2020 opgelegde crisismaatregel tegen betrokkene, die destijds een psychotisch toestandsbeeld vertoonde en geagiteerd gedrag vertoonde met risico op brandstichting.

Tijdens de mondelinge behandeling op 7 mei 2020, die telefonisch plaatsvond vanwege COVID-19, verklaarden twee artsen verbonden aan GGZ Delfland dat het psychotisch toestandsbeeld inmiddels was verdwenen. Hierdoor kon geen psychische stoornis meer worden vastgesteld en was er geen sprake meer van een onmiddellijk dreigend ernstig nadeel. Betrokkene stemde vrijwillig in met een verblijf van één dag om een plan voor hulpverlening op te stellen.

De rechtbank oordeelde dat de voorwaarden voor voortzetting van de crisismaatregel, zoals gesteld in artikel 7:7 Wvggz Pro, niet langer waren vervuld. Daarom wees zij het verzoek af. Tegen deze beschikking staat cassatie open.

Uitkomst: Het verzoek tot voortzetting van de crisismaatregel wordt afgewezen omdat het psychotisch toestandsbeeld is verdwenen en er geen ernstig nadeel meer is.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team familie
Zaak-/rekestnummer: C/10/595897 / FA RK 20-3116
Betrokkenenummer: [nummer]
Schriftelijke uitwerking van de mondelinge beslissing van 7 mei 2020 betreffende een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel als bedoeld in artikel 7:7 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz)
op verzoek van:
de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam,hierna: de officier,
met betrekking tot:
[naam betrokkene],
geboren op [geboortedatum betrokkene] te [geboorteplaats betrokkene] ,
hierna: betrokkene,
wonende aan de [adres betrokkene] , [woonplaats betrokkene] ,
thans verblijvende in GGZ Delfland, locatie Dr. Noletstraat te Schiedam,
advocaat mr. W.J.G. Schröder te Rotterdam.

1..Procesverloop

1.1.
Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 4 mei 2020, heeft de officier verzocht om voortzetting van de op 1 mei 2020 opgelegde crisismaatregel.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
 een afschrift van de beslissing tot het nemen van de crisismaatregel van 1 mei 2020;
 de medische verklaring opgesteld door [naam psychiater] , psychiater, van 1 mei 2020;
 de aanvulling op de medische verklaring van 4 mei 2020;
 de gegevens over eerder afgegeven machtigingen op grond van de Wet Bopz en de Wvggz;
 de relevante politiegegevens en/of de strafvorderlijke- en justitiële gegevens.
1.2.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 7 mei 2020.
Bij die gelegenheid zijn op grond van artikel 2 Tijdelijke Pro wet COVID-19 Justitie en Veiligheid de navolgende personen telefonisch, met behulp van een tolk in de Arabische taal, gehoord, omdat het houden van een fysieke zitting vanwege het coronavirus niet mogelijk was:
 betrokkene met haar hierboven genoemde advocaat;
 [naam arts 1] , arts, en [naam arts 2] , arts, beiden verbonden aan GGZ Delfland.
1.3.
De officier is niet telefonisch gehoord, omdat hij een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig achtte.

2..Beoordeling

2.1.
Op grond van artikel 7:7 Wvggz Pro in samenhang gelezen met artikel 7:8 Wvggz Pro kan de rechter op verzoek van de officier met betrekking tot een betrokkene een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel verlenen, indien de burgemeester ten aanzien van deze betrokkene op grond van artikel 7:1 Wvggz Pro een crisismaatregel heeft genomen.
2.2.
Gelet op artikel 7:1 lid 1 Wvggz Pro kan deze machtiging slechts worden verleend indien er onmiddellijk dreigend nadeel is, er een ernstig vermoeden bestaan dat het gedrag van betrokkene als gevolg van een psychische stoornis dit dreigend nadeel veroorzaakt en met de crisismaatregel het ernstige nadeel kan worden weggenomen. Daarnaast is de crisissituatie dermate ernstig dat de procedure voor een zorgmachtiging niet kan worden afgewacht en is er verzet als bedoeld in artikel 1:4 Wvggz Pro tegen de zorg.
2.3.
Bij aanvang van de opname was er sprake van een psychotisch toestandsbeeld bij betrokkene. Zij vertoonde geagiteerd gedrag en er waren zorgen dat zij haar woning in brand zou steken. De behandelend arts heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat het psychotisch toestandsbeeld gedurende de opname is verdwenen. Op dit moment kan geen psychische stoornis meer worden vastgesteld en dus ook geen daaruit vloeiend ernstig nadeel. Betrokkene heeft evenwel toegezegd nog één dag op vrijwillige basis in de accommodatie te willen verblijven, zodat er met behulp van het FACT-team een plan kan worden opgesteld voor (vrijwillige) hulpverlening in de thuissituatie.
2.4.
Gelet op het voorgaande wordt het verzoek afgewezen.

3..Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze beschikking is op 7 mei 2020 mondeling gegeven door mr. B. Krijnen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. R. Jelicic, griffier, en op 11 mei 2020 schriftelijk uitgewerkt en getekend.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.