De huurder van een appartement in Rotterdam vordert in kort geding dat de verhuurder wordt veroordeeld tot het verwijderen van schimmel en het betalen van een voorschot op schadevergoeding wegens lekkage in de woning. De lekkage ontstond door een defect in een waterleiding in de betonnen vloer, waardoor water in de woning kwam te staan en vochtschade en schimmel ontstonden.
De verhuurder heeft tijdig een aannemingsbedrijf opdracht gegeven de lekkage te onderzoeken en te verhelpen. Hoewel de huurder de plaatsing van bouwdrogers aanvankelijk weigerde vanwege onenigheid over het verwijderen van vloerbedekking, heeft de verhuurder uiteindelijk de woning adequaat laten drogen en de schade vastgesteld en deels vergoed.
De rechtbank oordeelt dat er weliswaar sprake is van een gebrek, maar dat de verhuurder geen verwijt treft omdat zij tijdig en adequaat heeft gehandeld. De huurder heeft onvoldoende onderbouwd dat de lekkage voorkomen had kunnen worden door onderhoud of controles. Ook is niet aannemelijk dat de verhuurder nalatig was in haar reactie op meldingen.
Gelet op het ontbreken van verwijtbaarheid en het feit dat de schade deels is vergoed, wijst de rechtbank de vorderingen af. De huurder wordt veroordeeld in de proceskosten.