Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1..Het verloop van de procedure
2..De vaststaande feiten
3..Het geschil in conventie
4..Het geschil in reconventie
5..De beoordeling in conventie en in reconventie
6..De beslissing
:
Rechtbank Rotterdam
In deze zaak vordert eiseres betaling van achterstallige huur en een contractuele boete van gedaagde, terwijl gedaagde in reconventie een huurprijsvermindering van 80% wegens de coronacrisis vraagt. De huurovereenkomst bevat een clausule die huurprijsvermindering bij gebreken uitsluit.
De rechtbank stelt vast dat het beperkte gebruik van het gehuurde door coronamaatregelen een gebrek in de zin van artikel 7:204 BW Pro kan zijn, wat in principe recht geeft op huurprijsvermindering. Echter, deze mogelijkheid is contractueel uitgesloten. Gedaagde beroept zich op onvoorziene omstandigheden (artikel 6:258 BW Pro) vanwege de pandemie.
De rechtbank overweegt dat de coronacrisis waarschijnlijk als onvoorziene omstandigheid zal worden aangemerkt en dat ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst mogelijk onaanvaardbaar is. Toch is de uitkomst onzeker en is kort geding niet geschikt voor wijziging van de overeenkomst. Bovendien heeft eiseres onvoldoende spoedeisend belang aangetoond, omdat zij niet in financiële problemen verkeert.
Daarom wijst de rechtbank zowel de vordering tot betaling van de huur als de vordering tot huurprijsvermindering af. De proceskosten worden gecompenseerd, zodat ieder zijn eigen kosten draagt.
Uitkomst: De rechtbank wijst zowel de vordering tot betaling van huur als de vordering tot huurprijsvermindering af in kort geding.