Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
,
1.De procedure
- mr. R.P. Zieltjens, advocaat van verzoekers;
- mr. R.A.D. Blaauw, advocaat van verweerster.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Rotterdam
De rechtbank Rotterdam behandelde het verzoek van twee verzoekers tot faillietverklaring van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid. De procedure vond plaats onder de tijdelijke regeling TARIC vanwege de coronacrisis, waarbij partijen schriftelijk en telefonisch zijn gehoord.
De verzoekers stelden dat de BV niet meer betaalde en verwezen naar een vaststellingsovereenkomst en een vonnis in kort geding. De BV voerde verweer met een verrekenbare tegenvordering en stelde dat de verzoekers onredelijk handelden en dat een arbitrale procedure over de geschillen zou worden gevoerd. De rechtbank oordeelde dat een faillissementsprocedure niet geschikt is voor inhoudelijke beoordeling van verrekening en dat het vorderingsrecht van de verzoekers niet summierlijk was aangetoond.
Daarnaast betwistte de BV het bestaan van een huurovereenkomst waarop een vordering zou rusten, en stelde dat deze achteraf was opgesteld. De rechtbank vond dat dit niet in een faillissementsprocedure kan worden onderzocht en kon daarom het vorderingsrecht niet aannemen.
Ten aanzien van het loonvorderingsrecht van de tweede verzoeker was er een lopende kortgedingprocedure en hoger beroep, waardoor ook dit vorderingsrecht niet summierlijk kon worden vastgesteld. Bovendien bleek niet dat de BV daadwerkelijk is opgehouden te betalen; de discussie over de omvang van de vorderingen leidde tot het uitblijven van betaling.
De rechtbank concludeerde dat het verzoek tot faillietverklaring moet worden afgewezen wegens onvoldoende bewijs van betalingsonmacht en onduidelijkheid over de vorderingsrechten.
Uitkomst: Het verzoek tot faillietverklaring is afgewezen wegens onvoldoende bewijs van betalingsonmacht en onduidelijkheid over vorderingsrechten.