ECLI:NL:RBROT:2020:5649
Rechtbank Rotterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg
De officier van justitie heeft bij de rechtbank Rotterdam een verzoek ingediend voor een zorgmachtiging op grond van artikel 6:4 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) ten aanzien van betrokkene. Het verzoek werd ondersteund door een medische verklaring, een zorgkaart, een zorgplan en bevindingen van de geneesheer-directeur.
De mondelinge behandeling vond plaats op 27 mei 2020, telefonisch vanwege de COVID-19 maatregelen. Betrokkene en zijn advocaat, evenals de ambulant verpleegkundige en behandelaar, werden gehoord. De officier van justitie werd niet gehoord omdat geen nadere toelichting werd geacht noodzakelijk.
De rechtbank constateert dat betrokkene stabiel is, zijn medicatie neemt en bereid is mee te werken aan zorg. De geneesheer-directeur signaleerde een mogelijk risico op onttrekking aan zorg en ernstig nadeel, maar de rechtbank vindt dat onvoldoende onderbouwd. Betrokkene heeft aannemelijk gemaakt dat hij vrijwillig medicatie zal blijven gebruiken en dat het risico op ernstig nadeel zich niet voordoet.
Daarom is er geen noodzaak voor verplichte zorg en wijst de rechtbank het verzoek om een zorgmachtiging af. Tegen deze beschikking staat cassatie open.
Uitkomst: Het verzoek om een zorgmachtiging wordt afgewezen omdat betrokkene stabiel is en vrijwillig medicatie gebruikt.