ECLI:NL:RBROT:2020:5811

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
10 juli 2020
Publicatiedatum
3 juli 2020
Zaaknummer
8369671
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 143 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzet tegen verstekvonnis in koopautozaken

In deze zaak heeft eiser een Opel Corsa gekocht van A&E Auto’s B.V., die na aankoop gebreken vertoonde. Eiser heeft de auto geretourneerd en aanspraak gemaakt op terugbetaling. Bij verstekvonnis is de koopovereenkomst ontbonden en A&E veroordeeld tot betaling van een bedrag aan eiser. A&E stelde verzet in tegen dit verstekvonnis.

De kantonrechter beoordeelde eerst de ontvankelijkheid van het verzet. Volgens artikel 143 lid 2 Rv Pro moet verzet binnen vier weken na een daad van bekendheid met het vonnis worden ingesteld. Telefonisch contact van een vertegenwoordiger van A&E werd niet als een daad van bekendheid van A&E zelf gezien, maar op grond van de inhoud van het gesprek werd aangenomen dat A&E voorafgaand aan het contact wel degelijk bekend was met het vonnis.

De verzetdagvaarding werd echter pas na de termijn van vier weken betekend, waardoor het verzet niet tijdig was ingesteld. Daarom werd A&E niet-ontvankelijk verklaard in het verzet en veroordeeld in de proceskosten van € 300,-. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: A&E Auto’s B.V. wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar verzet tegen het verstekvonnis wegens overschrijding van de verzettermijn en veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8369671 / CV EXPL 20-7524
uitspraak: 10 juli 2020
vonnis in verzet van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats eiser] ,
oorspronkelijk eiser,
gedaagde in verzet,
gemachtigde: mr. N. Baouch te Amsterdam,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
A&E Auto’s B.V.,
gevestigd te Vlaardingen,
oorspronkelijk gedaagde,
eiseres in verzet,
namens wie de heer [naam] is verschenen.
Partijen worden hierna aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘A&E’.

1..Het verloop van de procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het inleidend exploot van dagvaarding van 6 december 2019;
  • het verstekvonnis van 31 december 2019;
  • het verzetexploot met producties van 19 februari 2020;
  • de aantekeningen van de griffier van de mondelinge toelichting van A&E;
  • het tussenvonnis van 16 maart 2020, waarin een mondelinge behandeling is bepaald, welke mondelinge behandeling niet heeft plaatsgevonden in verband met de corona-uitbraak;
  • de conclusie van antwoord in oppositie met producties;
  • de aantekeningen van de griffier van het (telefonisch doorgegeven) mondelinge verweer van A&E;
  • de e-mail van A&E van 25 mei 2020 met haar aanvullende verweer.
1.2.
De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2..De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.
2.1.
Op 5 oktober 2019 heeft [eiser] van A&E, een handelaar in auto’s, een Opel Corsa gekocht voor een bedrag van € 4.800,-. De auto vertoonde na aankoop enkele gebreken. [eiser] heeft uiteindelijk de Opel Corsa geretourneerd en aanspraak gemaakt op terugbetaling van de koopsom.
2.2.
Bij onder zaaknummer 8221189 / CV EXPL 19-53275 gewezen verstekvonnis van 31 december 2019 is, vrijwel geheel overeenkomstig de eis van [eiser] , voor recht verklaard dat de tussen partijen gesloten koopovereenkomst is ontbonden en is A&E veroordeeld tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 6.232,05, vermeerderd met wettelijke rente over € 5.500,- vanaf 18 november 2019 en tot levering van een vrijwaringsbewijs van de auto op straffe van een dwangsom, met veroordeling van A&E in de kosten van het geding.
2.3.
Op 9 januari 2020 is het vonnis betekend aan A&E, door middel van het achterlaten van een afschrift van het exploot en de executoriale titel in een gesloten envelop.

3..Het geschil

3.1.
[eiser] heeft bij (oorspronkelijke) dagvaarding kort gezegd gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, voor recht te verklaren dat de koopovereenkomst is ontbonden, A&E te veroordelen om de aankoopsom van € 4.800,- terug te betalen, de schade van [eiser] , begroot op € 700,-, te vergoeden, tot het leveren van een vrijwaringsbewijs op straffe van een dwangsom, en tot betaling aan [eiser] van € 732,05 aan buitengerechtelijke incassokosten, met veroordeling van A&E in de kosten van de procedure.
Aan de eis heeft [eiser] kort gezegd ten grondslag gelegd dat partijen zijn overeengekomen dat [eiser] de auto zou teruggeven en dat A&E de koopsom zou terugbetalen, omdat A&E er niet in was geslaagd de gebreken aan de auto te repareren.
3.2.
A&E heeft gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, het verstekvonnis te vernietigen, de vordering van [eiser] af te wijzen en [eiser] te veroordelen in de kosten. Daartoe heeft A&E het volgende aangevoerd. A&E heeft de mankementen aan de auto kosteloos gerepareerd. [eiser] wilde de koopovereenkomst weliswaar ontbinden, maar A&E heeft daar niet mee ingestemd. [eiser] heeft echter toch de auto bij A&E achtergelaten en deze niet meer opgehaald.
3.3.
Op hetgeen partijen verder nog hebben aangevoerd, wordt hierna, voor zover voor de uitkomst van de procedure van belang, teruggekomen.

4..De beoordeling

4.1.
Alvorens het geschil tussen partijen inhoudelijk te kunnen beoordelen, dient de kantonrechter vast te stellen of A&E ontvankelijk is in haar verzet. [eiser] heeft immers aangevoerd dat A&E niet tijdig in verzet is gekomen.
4.2.
Artikel 143 lid 2 Rv Pro bepaalt (voor zover nu relevant) dat het verzet moet worden gedaan bij exploot van dagvaarding binnen vier weken nadat de veroordeelde enige daad pleegt waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging aan hem bekend is.
4.3.
[eiser] heeft in zijn conclusie van antwoord in oppositie aangevoerd dat de vrouw van de bestuurder van A&E op 17 januari 2020 telefonisch contact heeft opgenomen met de gemachtigde van [eiser] met (onder meer) de mededeling dat A&E in verzet zal gaan tegen het verstekvonnis van de rechtbank Rotterdam en dat zij de opdracht van A&E heeft gehad om de dagvaarding bij de deurwaarder op te vragen. [eiser] heeft verder aangevoerd dat de genoemde partner op 17 januari 2020 ook met de deurwaarder contact heeft opgenomen en in dat gesprek eveneens heeft gemeld dat A&E in verzet zal gaan. Ter onderbouwing van het laatste heeft [eiser] een e-mail van de deurwaarder aan de gemachtigde van [eiser] overgelegd van 17 januari 2020. In de bijlage van die e-mail staat: “
De partner van de bestuurder heeft zojuist telefonisch contact opgenomen, waarin zij mededeelde in verzet te gaan.”
4.4.
In zijn telefonische reactie en zijn latere e-mail heeft de bestuurder van A&E, de heer [naam] , deze stellingen niet betwist.
4.5.
De Hoge Raad heeft de maatstaf van artikel 143 lid 2 Rv Pro, inhoudende dat de verzettermijn aanvangt na het plegen door de veroordeelde van enige daad waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis aan hem bekend is, aldus ingevuld dat de veroordeelde zélf een handeling moet hebben verricht waaruit ondubbelzinnig valt op te maken dat hij over voldoende gegevens met betrekking tot (de inhoud van) zijn veroordeling beschikt om zich daartegen tijdig en adequaat te kunnen verzetten (HR 9 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ0652). Voldoende is dat hij ermee bekend is op vordering van wie, waartoe en door welk gerecht hij is veroordeeld (HR 9 januari 1987, ECLI:NL:HR:1987:AG5501), kortom, dat hij bekend is met de hoofdinhoud van het vonnis (HR 12 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:AC2381). Volgens vaste rechtspraak kan een daad van een vertegenwoordiger van de veroordeelde buiten rechte, waaruit volgt dat de vertegenwoordiger bekend is met de veroordeling bij verstek, op zichzelf niet als daad van bekendheid van de veroordeelde zelf gelden, ook niet als de vertegenwoordiger daarbij namens de veroordeelde is opgetreden (HR 8 april 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1325). Het telefonische contact kan naar het oordeel van de kantonrechter op zichzelf dan ook niet als daad van bekendheid in de zin van artikel 143 lid 2 Rv Pro worden opgevat.
4.6.
Het is onder omstandigheden wel mogelijk dat op grond van een daad van een vertegenwoordiger het vermoeden gerechtvaardigd is dat daaraan een voorafgaande daad van bekendheid van de veroordeelde zelf ten grondslag ligt, behoudens door de veroordeelde aan te voeren bijzondere omstandigheden.
4.7.
Naar het oordeel van de kantonrechter is het, gelet op (de inhoud van) het hiervoor in 4.3 bedoelde telefoongesprek, gerechtvaardigd aan te nemen dat A&E voorafgaand aan dit telefoongesprek kennis heeft genomen van de hoofdinhoud van het vonnis en op grond daarvan besloten heeft verzet in te stellen. Door A&E is niets gesteld op grond waarvan de kantonrechter zou moeten concluderen dat dit vermoeden niet gerechtvaardigd zou zijn. Derhalve wordt er van uitgegaan dat A&E op of voorafgaand aan 17 januari 2020 een daad van bekendheid heeft gepleegd (zie ook Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 1 oktober 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:8019).
4.8.
De verzetdagvaarding is betekend op 19 februari 2020. Derhalve is het verzet niet gedaan binnen vier weken nadat A&E een daad van bekendheid heeft gepleegd, zoals bepaald in artikel 143 lid 2 Rv Pro. A&E wordt dan ook niet-ontvankelijk verklaard in haar verzet.
4.9.
Als de in het ongelijk gestelde partij wordt A&E veroordeeld in de kosten van deze procedure, die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] worden vastgesteld op
€ 300,- aan salaris voor de gemachtigde.

5..De beslissing

De kantonrechter:
verklaart A&E niet-ontvankelijk in haar verzet;
veroordeelt A&E in de kosten van de verzetprocedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] vastgesteld op € 300,- aan salaris voor de gemachtigde;
verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. van Kalmthout en uitgesproken ter openbare terechtzitting.
33394