ECLI:NL:RBROT:2020:5924
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen intrekking bijstandsuitkering wegens ontbreken geldige verblijfstitel
Verzoekster, een Bulgaarse staatsburger, had haar bijstandsuitkering ingetrokken gekregen omdat zij geen geldige verblijfstitel meer had die recht gaf op een uitkering. Zij betwistte dit en stelde rechtmatig verblijf te hebben op grond van artikel 8 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 en het Unierecht, waaronder Besluit 1/80 EG.
De rechtbank oordeelde dat verzoekster niet onder artikel 8 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 viel omdat zij een uitspraak op haar beroepschrift niet in Nederland mocht afwachten. Verweerder mocht bovendien afgaan op de informatie van de IND dat verzoekster geen rechtmatig verblijf had, ook met betrekking tot het Unierecht en Besluit 1/80 EG. Verzoekster had geen wijziging van omstandigheden gesteld die rechtmatig verblijf zou kunnen rechtvaardigen.
Verder werd het beroep op het minderjarige Nederlandse kind verworpen omdat er geen aanvraag om bijstand namens het kind was ingediend en het besluit daarover buiten de procedure viel. Gezien deze overwegingen was er geen aanleiding voor een voorlopige voorziening en werd het verzoek afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de bijstandsuitkering wordt afgewezen.