Op 20 december 2014 overleed de erflater zonder testament. De kinderen van de erflater, [eiser 1] en [eiser 2], aanvaardden de nalatenschap beneficiair en spraken af dat een niet-erkende dochter een gelijk deel zou ontvangen. De broer van de erflater, [gedaagde], nam de afwikkeling van de nalatenschap op zich en bracht €29.096,48 over van de rekeningen van de erflater naar zijn eigen rekening. Hij bracht daarop de begrafeniskosten en een gepretendeerde vordering van €11.000 in mindering en verdeelde het restant onder de erfgenamen.
Eisers betwistten de vordering van [gedaagde] en vorderden dat deze niet met de nalatenschap mocht worden verrekend. [gedaagde] stelde dat de erfgenamen hun rechten hadden verwerkt door het accepteren van de verdeling en dat de vordering onderdeel was van de nalatenschap. De kantonrechter oordeelde dat enkel het ontvangen van een bedrag niet betekent dat de erfgenamen instemden met de verdeling, zeker niet zonder volledig inzicht in de nalatenschap. Rechtsverwerking werd verworpen omdat er geen bijzondere omstandigheden waren die dit rechtvaardigden.
Verder stelde de rechtbank vast dat in een eerdere procedure niet was vastgesteld dat de vordering van €11.000 toebehoorde aan [gedaagde]. Deze had zijn vordering onvoldoende onderbouwd in deze procedure. Daarom werd de zaak verwezen naar een mondelinge behandeling om de grondslag van de vordering nader te bespreken en te onderzoeken of partijen tot een schikking konden komen. Tot die tijd werden alle beslissingen aangehouden.