ECLI:NL:RBROT:2020:6053

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
10 juli 2020
Publicatiedatum
9 juli 2020
Zaaknummer
8185774 CV EXPL 19-50912
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWZorgverzekeringswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsachterstand zorgpremie en eigen risico leidt tot veroordeling tot betaling

De zaak betreft een vordering van de zorgverzekeraar DSW tegen een verzekerde wegens niet-betaalde premie en eigen risico. De verzekerde had een betalingsregeling getroffen, maar is daarmee in april 2019 gestopt. DSW vordert betaling van het openstaande bedrag van €503,08 plus wettelijke rente en incassokosten.

De verzekerde betwistte aanvankelijk de opeisbaarheid van de vordering vanwege de betalingsregeling, maar erkende later dat hij de betalingen had gestaakt. Hij stelde dat DSW niet in redelijkheid tot dagvaarding mocht overgaan omdat hij alle gevraagde documenten had aangeleverd, maar kon dit niet overtuigend onderbouwen.

De kantonrechter oordeelde dat de betalingsregeling vervallen was door het niet nakomen van de verplichtingen door de verzekerde en dat de vordering daarom opeisbaar is. De gevorderde wettelijke rente en incassokosten werden eveneens toegewezen. De verzekerde werd veroordeeld tot betaling van het bedrag, de rente, incassokosten en proceskosten, en het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Verzekerde wordt veroordeeld tot betaling van achterstallige premie, rente, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8185774 CV EXPL 19-50912
uitspraak: 10 juli 2020
vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,
in de zaak van:
de onderlinge waarborgmaatschappij
Onderlinge Waarborgmaatschappij DSW Zorgverzekeraar U.A.,
gevestigd te Schiedam,
eiseres,
gemachtigde: Landelijke Associatie van Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats gedaagde] ,
gedaagde,
die procedeert in persoon.
Partijen worden hierna aangeduid als ‘DSW’ en ‘ [gedaagde] ’.

1..Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 13 november 2019, met een productie;
de conclusie van antwoord, bestaande uit de aantekeningen van de griffier ter rolzitting;
de conclusie van repliek, met producties;
de conclusie van dupliek, met producties;
de akte uitlaten producties van de zijde van DSW.
Het vonnis is bepaald op heden.
Hangende de procedure heeft LAVG zich in de plaats van Van Arkel gesteld als gemachtigde van DSW.

2..De vaststaande feiten

2.1
Als enerzijds gesteld en anderzijds niet weersproken, staat het volgende tussen partijen vast.
2.2
[gedaagde] heeft bij DSW een zorgverzekering afgesloten zoals bedoeld in de Zorgverzekeringswet. Op grond van deze overeenkomst is [gedaagde] premie, eigen risico eigen bijdrage en eventueel niet voor vergoeding in aanmerking komende maar wel voorgeschoten zorgkosten verschuldigd.

3..Het geschil

3.1
DSW vordert dat [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling aan DSW van een bedrag van € 503,08, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 416,84 vanaf 13 november 2019 tot aan de dag van algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2
DSW legt – kort samengevat – het volgende aan haar vordering ten grondslag. [gedaagde] is op grond van de zorgverzekeringsovereenkomst gehouden om eigen risico te betalen. DSW legt nakoming van deze betalingsverplichting aan haar vordering ten grondslag. De achterstand is – inclusief rente en kosten – opgelopen tot een bedrag van € 503,08.
3.3
[gedaagde] voert verweer. Daarop wordt voor zover van belang in deze procedure in het navolgende ingegaan.

4..De beoordeling

4.1
Tussen partijen is niet in geschil dat tussen hen een zorgverzekeringsovereenkomst bestaat. Evenmin twisten zij over de juistheid van het door DSW gevorderde bedrag aan eigen risico.
4.2
[gedaagde] stelde zich aanvankelijk op het standpunt dat tussen partijen een betalingsregeling tot stand is gekomen die hij al jaren nakomt. Bij dupliek maakt [gedaagde] echter kenbaar dat hij in april is gestopt met het betalen van de termijnbedragen, omdat volgens [gedaagde] DSW de regeling wilde herzien. De verwerking door DSW van de door [gedaagde] bij dupliek gestelde betalingen, mogelijk op meerdere lopende dossiers, is geen onderwerp van geschil tussen partijen.
4.3
Ongeacht wie het initiatief neemt om de regeling te herzien, blijft deze regeling geldig totdat partijen anders overeenkomen of totdat [gedaagde] de regeling volledig is nagekomen of juist niet meer nakomt. Of de huidige vordering wel of niet onder de eerder afgesproken betalingsregeling valt, verandert niets aan de huidige situatie en de opeisbaarheid van de vordering. Nu [gedaagde] de nakoming van de betalingsregeling per april 2019 heeft gestaakt, is de oude regeling in ieder geval nadat de eerstvolgende termijn niet is betaald komen te vervallen en is de vordering in zijn geheel opeisbaar geworden. De vordering is in zoverre toewijsbaar.
4.4
De kantonrechter begrijpt het standpunt van [gedaagde] zo dat DSW niet in redelijkheid opnieuw tot dagvaarding mocht overgaan, omdat hij alle gevraagde gegevens heeft aangeleverd. Ter onderbouwing van zijn standpunt legt hij een schermfoto over van de e-mail die hij aan Van Arkel heeft verzonden, met daarin een aantal documenten. Hieruit blijkt niet duidelijk dat alle stukken die Van Arkel in de als productie 7 bij repliek overgelegde brief van 30 september 2019 heeft verzocht ook daadwerkelijk zijn aangeleverd. Nu [gedaagde] de betaling van de voorgaande regeling heeft gestaakt en eveneens niet de benodigde informatie aanlevert om tot een nieuwe regeling te komen is de kantonrechter van oordeel dat DSW in redelijkheid tot dagvaarding over mocht gaan. De vordering wordt toegewezen.
4.5
De gevorderde wettelijke rente zal eveneens worden toegewezen, nu daartegen geen nader verweer is gevoerd.
4.6
DSW maakt tevens aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. In de brief van 29 juni 2018, overgelegd als productie 1 bij dagvaarding, heeft DSW een bedrag van € 48,40 inclusief btw aan incassokosten aangezegd conform de vereisten volgens de wet. Van een latere veertiendagenbrief is niet in de stukken gebleken, zodat de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen tot een bedrag van € 48,40.
4.7
[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

5..De beslissing

De kantonrechter
:
veroordeelt [gedaagde] aan DSW te betalen een bedrag van € 475,55, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW Pro over een bedrag van € 416,84 vanaf 13 november 2019 tot aan de dag van algehele voldoening;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van DSW vastgesteld op € 486,- aan griffierecht, € 103,06 aan dagvaardingskosten en € 108,- aan salaris voor de gemachtigde;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.K. Rapmund en uitgesproken ter openbare terechtzitting.
41645