Uitspraak
[naam veroordeelde] ,
Opgelegde straf
Rotterdam van 18 december 2019, is aan de veroordeelde een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 3 jaren, met aftrek van voorarrest.
Rechtbank Rotterdam
De veroordeelde is bij onherroepelijk vonnis veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar, met aftrek van voorarrest, en komt in aanmerking voor voorwaardelijke invrijheidstelling per 9 juli 2020. Het openbaar ministerie heeft een vordering ingediend om deze voorwaardelijke invrijheidstelling achterwege te laten, omdat de veroordeelde niet bereid is mee te werken aan voorwaarden die het recidiverisico moeten beperken.
Tijdens de openbare terechtzitting van 10 juni 2020 zijn de officier van justitie, de veroordeelde met zijn raadsvrouw en een reclasseringsdeskundige gehoord. De reclassering en de inrichting waar de veroordeelde verblijft, adviseren dat het recidiverisico hoog is vanwege het ontbreken van plannen voor werk en woonruimte na detentie en de weigering van de veroordeelde om hulp en begeleiding te accepteren.
De deskundige lichtte toe dat de veroordeelde nauwelijks te motiveren is voor begeleiding en dat plaatsing in een forensisch psychiatrische kliniek noodzakelijk is. De veroordeelde verklaarde zelf niet bereid te zijn de voorwaarden na te leven. De rechtbank oordeelt dat het recidiverisico onvoldoende kan worden beperkt door voorwaarden en wijst daarom de vordering van het OM toe om de voorwaardelijke invrijheidstelling achterwege te laten.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering toe om de voorwaardelijke invrijheidstelling achterwege te laten wegens weigering van de veroordeelde om mee te werken aan noodzakelijke voorwaarden.