ECLI:NL:RBROT:2020:6163

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
8 juli 2020
Publicatiedatum
14 juli 2020
Zaaknummer
C/10/591691 / HA ZA 20-193
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 223 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening inzake geschil over schenking appartement in echtscheidingsprocedure

De rechtbank Rotterdam behandelde een incidentverzoek van de vrouw tot het treffen van een voorlopige voorziening, namelijk de afgifte van de sleutels van een appartement in Kroatië dat onderdeel uitmaakte van de huwelijksgemeenschap. De vrouw stelde dat de man het appartement zonder haar toestemming had weggeschonken aan zijn vader, waardoor zij financieel benadeeld zou zijn.

De rechtbank constateerde dat dezelfde kwestie al aanhangig is bij de familiekamer, die eerder had geoordeeld dat de man voor de schenking toestemming van de vrouw nodig had en dat hij de huwelijksgemeenschap had benadeeld. De rechtbank oordeelde dat de vrouw onvoldoende belang had bij het incidentverzoek, mede omdat de familiekamer de bevoegdheid heeft om deskundigen te benoemen en de verdeling van de huwelijksgemeenschap te regelen.

De rechtbank verwierp ook het standpunt van de vrouw dat zij als mede-eigenaar het recht heeft om het appartement te betreden, omdat het appartement door schenking en erfenis niet meer tot de huwelijksgemeenschap behoort. De vraag of de hoofdzaak naast de procedure bij de familiekamer zinloos is, wordt aangehouden tot na de mondelinge behandeling.

De proceskosten in het incident worden gecompenseerd vanwege de ex-echtelijke relatie van partijen. De zaak wordt op 5 augustus 2020 voortgezet voor verdere behandeling van de hoofdzaak.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat dezelfde kwestie bij de familiekamer aanhangig is en de vrouw onvoldoende belang heeft.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/591691 / HA ZA 20-193
Vonnis in incident van 8 juli 2020
in de zaak van
[naam eiseres],
wonende te [woonplaats eiseres] ,
eiseres in conventie in de hoofdzaak,
verweerster in voorwaardelijke reconventie in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat mr. T. Bezmalinovic te Rotterdam,
tegen
[naam gedaagde],
wonende te [woonplaats gedaagde] ,
gedaagde in conventie in de hoofdzaak,
eiser in voorwaardelijke reconventie in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
advocaat mr. F. van Schaik te Berkel en Rodenrijs.
Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1..De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 21 januari 2020, met producties,
  • de akte houdende overlegging producties, van de vrouw,
  • de conclusie van antwoord tevens eis in voorwaardelijke reconventie, met producties,
  • de conclusie van repliek in conventie tevens conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie tevens vermeerdering van eis tevens houdende een incident ex art. 223 Rv Pro.,
  • de conclusie van antwoord in het incident.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2..De beoordeling in het incident

2.1.
De vrouw vordert dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding.
2.2.
De man voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
2.3.
Het gaat in deze zaak om het volgende: de echtscheiding tussen partijen is inmiddels al uitgesproken. De vrouw verwijt de man dat hij een appartementengebouw met bijbehorende grond in Kroatië, dat onderdeel uitmaakte van de huwelijksgemeenschap, zonder haar toestemming (en in het zicht van de echtscheiding) heeft weggeschonken aan zijn vader. De vrouw stelt hierdoor financieel benadeeld te zijn. De vrouw vordert daarom een verklaring voor recht dat de man onrechtmatig heeft gehandeld, met veroordeling van de man tot betaling van schadevergoeding, op te maken bij staat. In het incident vordert de vrouw afgifte van de sleutels van het appartement in Kroatië, op straffe van verbeurte van een dwangsom.
2.4.
Echter, de kwestie is ook aanhangig bij de familiekamer. Nadat de echtscheiding is uitgesproken bij beschikking van de familiekamer van de rechtbank Rotterdam van 16 juli 2019, is over de verdeling van de huwelijksgemeenschap voortgeprocedeerd bij de familiekamer. De familiekamer heeft bij vervolgbeschikking van 13 februari 2020 (dus nadat de dagvaarding in de onderhavige procedure was uitgebracht) geoordeeld, samengevat, dat:
- de man voor de schenking aan zijn vader van ‘de appartementen’ in Kroatië de toestemming van zijn vrouw nodig had, maar die was er niet,
- de man aldus de huwelijksgoederengemeenschap heeft benadeeld,
- de man de door hem aangerichte schade moet vergoeden,
- partijen zich nader kunnen uitlaten over de omvang van de schade.
2.5.
Thans wordt dus zowel bij de handelskamer als bij de familiekamer geprocedeerd over dezelfde kwestie. De vrouw kan worden nagegeven dat een voorlopige voorziening op de voet van artikel 223 Rv Pro. niet mogelijk is in een echtscheidingsprocedure (ECLI:NL:HR:2018:1414). Wel kan in een echtscheidingsprocedure een aantal in de wet met zoveel woorden benoemde voorlopige voorzieningen worden getroffen. Of de onderhavige vordering daaronder valt is aan de familiekamer om te beoordelen. Wat hiervan ook zij, de rechtbank zal de vordering van de vrouw afwijzen omdat zij daarbij onvoldoende belang heeft: de vrouw stelt dat zij met een deskundige het appartementengebouw wil kunnen betreden om dat te kunnen laten waarderen. De vrouw lijkt er aldus van uit te gaan dat haar rechten in de procedure bij de familiekamer niet gewaarborgd zijn. De rechtbank acht dit niet voor de hand liggen en in ieder geval prematuur. Zo kan bijvoorbeeld ook de familiekamer een deskundige benoemen teneinde het appartementengebouw te (doen) waarderen, en een beslissing nemen ten nadele van de partij die niet goed meewerkt aan het onderzoek door de deskundige.
De vrouw stelt voorts dat zij als mede-eigenaar het recht heeft om het appartementengebouw te betreden en gebruiken, maar die stelling moet vooralsnog voor onjuist worden gehouden. Het appartementengebouw is door de man weggeschonken aan zijn vader, en de man heeft dit na het overlijden van zijn vader geërfd. Daarmee is het appartementengebouw niet wederom deel gaan uitmaken van de huwelijksgemeenschap. Als de stelling van de vrouw juist is, dat de schenking naar Kroatisch recht nietig was, is dit wellicht anders en is - mogelijk - het appartementengebouw steeds in de huwelijksgemeenschap gebleven, de vrouw wel mede-eigenaar, en dient het gebouw nog in de verdeling te worden betrokken. Maar deze kwestie is in de familiekamer nog niet definitief beslecht, en vooralsnog is in de vervolgbeschikking van de familiekamer op dit punt bij gebrek aan onderbouwing niet in het voordeel van de vrouw beslist.
2.6.
De vraag of de procedure in de hoofdzaak zinloos is, naast de procedure bij de familiekamer, moet nog even blijven liggen. Deze kwestie mag pas worden beoordeeld nadat de procedure in de hoofdzaak is uitgeconcludeerd en er een mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden. De rechtbank sluit echter niet uit dat zij de mondelinge behandeling in de hoofdzaak pas zal laten plaatsvinden nadat in de procedure bij de familiekamer einduitspraak is gedaan.
2.7.
De proceskosten in het incident zullen worden gecompenseerd, omdat partijen
(ex-) echtelieden zijn.

3..De beslissing

De rechtbank
in het incident
3.1.
wijst het in het incident gevorderde af,
3.2.
bepaalt dat ieder van partijen de eigen proceskosten draagt,
in de hoofdzaak
3.3.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
5 augustus 2020voor conclusie van dupliek in conventie/repliek in reconventie en reactie op de eisvermeerdering.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. de Geus en ondertekend en in het openbaar uitgesproken door mr. J.F. Koekebakker, rolrechter, op 8 juli 2020.
[2517/638]