De kinderrechter van de Rechtbank Rotterdam behandelde op 10 juli 2020 een zaak betreffende de ondertoezichtstelling en een verzoek tot uithuisplaatsing van een minderjarige geboren in 2004. De Raad voor de Kinderbescherming had verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling voor twaalf maanden en machtiging tot uithuisplaatsing voor zes maanden. De minderjarige verblijft in een pleeggezin en vertoonde gedrag dat wijst op worsteling tussen twee culturen.
De Raad en de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (GI) steunden het verzoek tot uithuisplaatsing vanwege het onveilige gevoel van de minderjarige thuis en het moeizame terugplaatsingstraject. De ouders waren het eens met de ondertoezichtstelling maar voerden verweer tegen de uithuisplaatsing, stellende dat de minderjarige thuis meer vrijheid moet krijgen en dat het onveilige gevoel niet concreet is.
De kinderrechter oordeelde dat de ondertoezichtstelling noodzakelijk is vanwege bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarige en het verschil in opvoedstijl tussen ouders en pleeggezin. Het verzoek tot uithuisplaatsing werd echter afgewezen wegens onvoldoende concrete gronden en omdat de minderjarige uitdrukkelijk wenst terug te keren naar huis. De zaak werd aangehouden tot 28 augustus 2020 voor een nader verhoor en rapportage over de stand van zaken.