ECLI:NL:RBROT:2020:6559

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
22 juli 2020
Publicatiedatum
22 juli 2020
Zaaknummer
C/10/597936 / JE RK 20-1604
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:265c lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing minderjarige in gezinshuis

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West verzocht de rechtbank Rotterdam om verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige in een gezinshuis. De minderjarige verblijft sinds augustus 2019 in een gezinshuis van Philadelphia waar zij de benodigde begeleiding, structuur en voorspelbaarheid ontvangt. De ouders oefenen het ouderlijk gezag uit, waarbij de vader instemt met verlenging van de ondertoezichtstelling maar bezwaar maakt tegen de verlenging van de uithuisplaatsing, omdat hij een thuisplaatsing bij hem en zijn partner nastreeft.

De kinderrechter behandelde de zaak op 17 juli 2020 met gesloten deuren, waarbij de minderjarige, vader en vertegenwoordigers van de GI werden gehoord. De moeder was niet verschenen. De rechtbank oordeelde dat de gronden voor verlenging van de ondertoezichtstelling aanwezig zijn en verlengde deze voor twaalf maanden. De machtiging tot uithuisplaatsing werd verlengd voor vier maanden om de GI in staat te stellen nader onderzoek te doen naar de mogelijkheid van een thuisplaatsing bij de vader en zijn partner.

De kinderrechter stelde dat de structuur en voorspelbaarheid die de minderjarige in het gezinshuis ontvangt, niet zonder meer in de thuissituatie kunnen worden geboden, maar gaf de GI de opdracht om uiterlijk twee weken voor de volgende zitting op 1 november 2020 te rapporteren over de stand van zaken en het al dan niet handhaven van het verzoek. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling voor twaalf maanden en de machtiging tot uithuisplaatsing voor vier maanden met nader onderzoek naar thuisplaatsing.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
zaakgegevens: C/10/597936 / JE RK 20-1604
datum uitspraak: 22 juli 2020

beschikking verlenging ondertoezichtstelling en verlenging uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west,

hierna te noemen de GI, gevestigd te Dordrecht,
betreffende

[naam minderjarige] ,

geboren op [geboortedatum minderjarige] 2006 te [geboorteplaats minderjarige] , hierna te noemen [voornaam minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen de moeder, wonende te [woonplaats moeder] ,

[naam vader] ,

hierna te noemen de vader, wonende te [woonplaats vader] .

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 9 juni 2020, ingekomen bij de griffie op dezelfde datum.
Op 17 juli 2020 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.
Gehoord zijn:
- [voornaam minderjarige] , die voorafgaand aan de zitting apart is gehoord,
- de vader,
- een tweetal vertegenwoordigsters van de GI, mw. [naam vertegenwoordigster 1] en mw. [naam vertegenwoordigster 2] .
Hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, is de moeder niet verschenen.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] wordt uitgeoefend door de ouders.
Bij beschikking van 31 juli 2019 is de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] verlengd tot
26 augustus 2020. De kinderrechter heeft bij deze beschikking ook een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een gezinshuis van Philadelphia verleend tot 31 juli 2020.

Het verzoek

De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Tevens wordt verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van een jaar.
De GI heeft het verzoek ter zitting gehandhaafd en als volgt toegelicht. [voornaam minderjarige] verblijft bijna een jaar in het gezinshuis van Philadelphia. Zij krijgt daar de begeleiding, structuur en voorspelbaarheid die zij nodig heeft. Een thuisplaatsing van [voornaam minderjarige] bij de vader en stiefmoeder is niet haalbaar. [voornaam minderjarige] vraagt veel aandacht en nabijheid en er is geen stabiliteit in de thuissituatie.

Het standpunt van de vader

De vader is het eens met de verlenging van de ondertoezichtstelling, maar verzet zich tegen de machtiging tot uithuisplaatsing. [voornaam minderjarige] wil het liefst bij de vader en stiefmoeder komen wonen. De vader en de stiefmoeder willen dit ook. De vader gaat binnenkort met de stiefmoeder en hun kindje samenwonen. De thuissituatie is stabiel. De komende periode moet toegewerkt worden naar een thuisplaatsing van [voornaam minderjarige] .

De beoordeling

Gelet op het feit dat er ter zitting geen verweer is gevoerd tegen een verlenging van de ondertoezichtstelling en de kinderrechter op grond van de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting van oordeel is dat de gronden van de ondertoezichtstelling, zoals gesteld in artikel 1:255 van Pro het Burgerlijk Wetboek aanwezig zijn, zal de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] als onweersproken worden verlengd voor de duur van twaalf maanden.
Ook is de verlenging van de uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid, BW). [voornaam minderjarige] verblijft sinds augustus 2019 in een gezinshuis van Philadelphia. [voornaam minderjarige] krijgt daar de structuur en voorspelbaarheid die zij nodig heeft, waardoor haar gedragsproblemen zijn gestabiliseerd. [voornaam minderjarige] heeft te kennen gegeven dat zij graag bij de vader en zijn partner wil wonen. De vader heeft ter terechtzitting aangegeven dat [voornaam minderjarige] thuis welkom is. Ook heeft de vader aangegeven dat hij binnen afzienbare termijn gaat samenwonen in de woning van de partner.
Van de zijde van de GI is gesteld dat een verblijf van [voornaam minderjarige] bij de vader en zijn partner niet in het belang van [voornaam minderjarige] is, omdat zij in het gezinshuis de benodigde structuur en voorspelbaarheid krijgt.
De kinderrechter vermag niet in te zien waarom die structuur en voorspelbaarheid niet kan worden geboden in de gezinssituatie bij de vader en zijn partner. De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing daarom verlenen voor de periode van vier maanden, teneinde de GI in de gelegenheid te stellen onderzoek te doen naar de vraag of een verblijf van [voornaam minderjarige] bij de vader en diens partner niet kan worden aangemerkt als voorliggende voorziening voor het verblijf van [voornaam minderjarige] in het gezinshuis.
De kinderrechter verzoekt de GI uiterlijk twee weken voorafgaand aan de hierna te noemen zittingsdatum de resultaten van het onderzoek te doen toekomen en daarbij aan te geven of het resterende deel van het verzoek al dan niet gehandhaafd wordt.

De beslissing

De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] tot 26 augustus 2021;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een gezinshuis tot
1 december 2020;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

en alvorens verder te beslissen:

bepaalt dat de behandeling van de zaak voor het overig verzochte wordt aangehouden tot
1 november 2020 pro forma;
bepaalt dat de GI en de belanghebbenden op de genoemde pro forma datum niet ter zitting behoeven te verschijnen;
verzoekt de GI
uiterlijk twee wekenvoor de genoemde datum aan de kinderrechter te rapporteren over de laatste stand van zaken en daarbij aan te geven of het verzoek al dan niet gehandhaafd wordt.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2020 door mr. C.N. Melkert, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Ruijgrok als griffier.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.