De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West verzocht de rechtbank Rotterdam om verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige in een gezinshuis. De minderjarige verblijft sinds augustus 2019 in een gezinshuis van Philadelphia waar zij de benodigde begeleiding, structuur en voorspelbaarheid ontvangt. De ouders oefenen het ouderlijk gezag uit, waarbij de vader instemt met verlenging van de ondertoezichtstelling maar bezwaar maakt tegen de verlenging van de uithuisplaatsing, omdat hij een thuisplaatsing bij hem en zijn partner nastreeft.
De kinderrechter behandelde de zaak op 17 juli 2020 met gesloten deuren, waarbij de minderjarige, vader en vertegenwoordigers van de GI werden gehoord. De moeder was niet verschenen. De rechtbank oordeelde dat de gronden voor verlenging van de ondertoezichtstelling aanwezig zijn en verlengde deze voor twaalf maanden. De machtiging tot uithuisplaatsing werd verlengd voor vier maanden om de GI in staat te stellen nader onderzoek te doen naar de mogelijkheid van een thuisplaatsing bij de vader en zijn partner.
De kinderrechter stelde dat de structuur en voorspelbaarheid die de minderjarige in het gezinshuis ontvangt, niet zonder meer in de thuissituatie kunnen worden geboden, maar gaf de GI de opdracht om uiterlijk twee weken voor de volgende zitting op 1 november 2020 te rapporteren over de stand van zaken en het al dan niet handhaven van het verzoek. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.