AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Veroordeling voor bezit van harddrugs en vuurwapens in woning tot 30 maanden gevangenisstraf
Op 3 juli 2019 betrad de politie een woning in Rotterdam waar de verdachte samen met anderen werd aangetroffen. In de woning werden aanzienlijke hoeveelheden cocaïne en heroïne, meerdere vuurwapens en munitie, alsmede versnijdingsmiddelen en apparatuur gevonden. De verdachte verbleef ongeveer vier uur in de woonkamer waar deze goederen open en bloot lagen.
De rechtbank concludeerde dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de drugs en wapens en dat zij beschikkingsmacht over deze goederen had, mede gelet op de functie van de woning als versnijdingspand. De verdediging voerde aan dat de verdachte de wapens en drugs niet bewust had gezien en geen beschikkingsmacht had, maar dit werd door de rechtbank verworpen.
De bewezen verklaarde feiten betroffen het opzettelijk aanwezig hebben van ruim 4 kilo heroïne, bijna een halve kilo cocaïne, meerdere vuurwapens en munitie, en versnijdingsmiddelen. De rechtbank achtte de feiten ernstig vanwege de omvang van de drugsvoorraad en het zware wapenbezit, en veroordeelde de verdachte tot 30 maanden gevangenisstraf, rekening houdend met haar beperkte rol en persoonlijke omstandigheden.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf voor het bezit van harddrugs en vuurwapens in een woning.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Team straf 1
Parketnummer: 10/750281-19
Datum uitspraak: 22 juli 2020
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[naam verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] , [postcode verdachte] [woonplaats verdachte] ,
raadsman mr. R.A.L.F. Frijns, advocaat te Rotterdam.
1..Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 8 juli 2020.
2..Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3..Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. T.M. Rethmeier heeft gevorderd:
bewezenverklaring van het onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde;
veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren met aftrek van voorarrest.
4..Waardering van het bewijs
4.1.
Bewijswaardering
4.1.1.
Standpunt verdediging
De verdachte dient vanwege een gebrek aan bewijs te worden vrijgesproken. Het enige belastende in het dossier is de aanwezigheid van de verdachte in een woning waar verdovende middelen en vuurwapens zijn aangetroffen. Die enkele aanwezigheid is onvoldoende voor een bewezenverklaring van het voorhanden dan wel aanwezig hebben van die goederen. Ze heeft wel bakken zien staan met een bepaalde substantie erin, maar ze wist niet dat het verdovende middelen waren. De vuurwapens heeft ze niet gezien. In elk geval heeft ze over geen van de betreffende goederen beschikkingsmacht gehad.
4.1.2. Beoordeling
Op 3 juli 2019 omstreeks 06:00 uur heeft de politie ter aanhouding van de bewoner een woning aan de [adres delict] te Rotterdam betreden. De bewoner bleek niet in het pand aanwezig te zijn. Wel werden vier andere personen aangetroffen, waaronder - in de woonkamer - de verdachte.
In diezelfde woonkamer zag de politie vrijwel direct na binnenkomst een automatisch vuurwapen tegen een bank staan, drie gevulde patroonhouders en een vuurwapen op een bank liggen, op een eettafel meerdere komen met zeven met daarin verdovende middelen staan en ook elders in de woonkamer meerdere hoeveelheden verdovende middelen liggen. Bij de daaropvolgende doorzoeking van de woning werd nog een derde vuurwapen aangetroffen. In totaal bleek bijna een halve kilo cocaïne en ruim vier kilo heroïne in de woonkamer te liggen. Bovendien werd bijna een halve kilo paracetamol en, in een slaapkamer, onderdelen van een drukpers, een pers en een krik aangetroffen. Ook werden in de woning 12 telefoons en een geldtelmachine aangetroffen.
De verdachte is die nacht rond 02:00 uur samen met de medeverdachte [naam medeverdachte] naar de woning gekomen, zo volgt uit hun beider verklaringen en de camerabeelden van de centrale toegangshal van het woningcomplex.
De verdachte is dus gedurende ongeveer vier uur in een woonkamer geweest waarin zich (grotendeels) open en bloot vuurwapens en verdovende middelen bevonden. Juist vanwege de combinatie met de aanwezigheid van de vuurwapens vindt de rechtbank dat de verdachte ook heeft moeten weten dat de poeders/substanties die op de eettafel in bakken met zeven zaten, verdovende middelen betroffen. De rechtbank concludeert op grond hiervan dat de verdachte in elk geval wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van de wapens en de verdovende middelen.
De volgende vraag die voorligt is of de verdachte daar ook de beschikkingsmacht over heeft gehad. Hierover overweegt de rechtbank als volgt.
Uit het samenstel van de in de woning aangetroffen goederen leidt de rechtbank af dat deze werd gebruikt als “versnijdingpand”, zijnde een woning waar drugs worden bewaard en bewerkt om voor (weder)verkoop geschikt te maken. De woning was in dat kader zwaar bewapend. Het ligt in de rede dat de persoon of personen die verantwoordelijk zijn voor de handel of distributie van de verdovende middelen er belang bij hebben dat hun activiteiten verborgen blijven en zij derden die niets met die bezigheden van doen hebben niet tot die woning toelaten. De aangetroffen situatie – waar drugs en vuurwapens in de woning voor een ieder klip en klaar te zien waren – schreeuwt dan ook om een uitleg van de zijde van de verdachte. De verdachte geeft een uitleg, namelijk dat zij in de woning aanwezig was om te chillen en dat zij de wapens en verdovende middelen niet, althans niet bewust, heeft gezien. Dit is naar het oordeel van de recthbank, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geen afdoende uitleg. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de verdachte minst genomen enige organisatorische of functionele betrokkenheid bij dit versnijdingspand had en daarmee beschikkingsmacht.
De rechtbank concludeert dan ook dat de verdachte wetenschap van en beschikkingsmacht over de wapens, drugs en overige ten laste gelegde voorwerpen en stoffen heeft gehad. Dit geldt ook voor het ene vuurwapen dat mogelijk niet direct in het zicht heeft gelegen (het wapen dat bij de doorzoeking is gevonden), omdat de verdachte onder de omstandigheden zoals hiervoor uiteengezet bewust de aanmerkelijke kans op het voorhanden hebben van dit vuurwapen heeft aanvaard.
4.1.3.
Conclusie
Het onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde is wettig en overtuigend bewezen.
4.2.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
1.
Zij, op 3 juli 2019, in een pand aan de [adres delict] te Rotterdam,
tezamen en in vereniging met anderen
opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van 478 gram van een materiaal bevattende cocaïne, en een hoeveelheid van (in totaal) 4.013,9 gram van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en heroïne, middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet
behorende lijst I;
2.
Zij op 3 juli 2019 te Rotterdam,
tezamen en in vereniging met anderen,
om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 vanPro de
Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken,
verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van een of meer hoeveelheid/heden van een materiaal bevattende cocaïne en heroine, zijnde cocaïne en heroine
middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,
- voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan zij wist of ernstige reden
had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven
bedoelde feit hebbende verdachte en/of (een of meer van) haar, verdachtes, mededader(s):
- de woning gelegen aan de [adres delict] te Rotterdam gebruikt en/of
beschikbaar gesteld (gekregen), en
- versnijdingsmiddelen, te weten 472,4 gram paracetamol voorhanden gehad,
en
- teiltjes en onderdelen van een drukpers en een krik
en een pers voorhanden gehad;
3.
Zij, op 3 juli 2019, in een pand aan de [adres delict] te Rotterdam,
tezamen en in vereniging met anderen
vuurwapens als bedoeld in de zin van artikel 2, lid 1
categorie III onder 1 van de Wet Wapens en Munitie, te weten
vuurwapens in de zin van artikel 1 onderPro 3 van die wet,
- van het merk/type Glock 19 Gen 4, 9mm, voorzien van serienummer [serienummer 1] ,
en
- van het merk/type Fn Gp 35 (High Power), 9mm, voorzien van serienummer
[serienummer 2] ,
en
een wapen als bedoeld in de zin van artikel 2 lidPro 1, categorie II, onder 3
en 2 van de Wet Wapens en Munitie, te weten een vuurwapen in de zin van
- van het merk/type Zastava M70 Bi, 7.62 x 39mm, voorzien van serienummer
[serienummer 3] , voorhanden heeft gehad;
4.
Hij, op 3 juli 2019, in een pand aan de [adres delict] te Rotterdam,
tezamen en in vereniging met anderen
munitie in de zin van artikel 1 onderPro 4 van de Wet Wapens en Munitie, te
weten munitie als bedoeld in artikel 2, lid 2 van die wet van Categorie III,
te weten:
- negen, kogelpatronen, kaliber 9mm, van het
merk Gfl, en
- vijftien, kogelpatronen, kaliber 9mm, en
- eenennegentig, kogelpatronen, kaliber 7.62 x
39mm, voorhanden heeft gehad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
5..Strafbaarheid feiten
De bewezen feiten leveren op:
Feit 1:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onderPro C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
Feit 2:
om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 vanPro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
Feit 3:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II;
Feit 4:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De feiten zijn dus strafbaar.
6..Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.
De verdachte is dus strafbaar.
7..Motivering straf
7.1.
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2.
Feiten waarop de straf is gebaseerd
De verdachte is samen met drie anderen aangetroffen in een woning die gebruikt werd als “versnijdingspand”, een woning ten behoeve van het bewaren en bewerken van handelshoeveelheden harddrugs. De verdachte had in die woning, samen met haar medeverdachten, naast ruim vier kilo heroïne en bijna een halve kilo cocaïne, ook een automatisch vuurwapen en twee handvuurwapens voorhanden. Het betrof, kortom, een zwaar bewapend operationeel versnijdingspand.
Het is algemeen bekend dat verdovende middelen schadelijk zijn voor de volksgezondheid en dat het gebruik ervan bezwarend is voor de samenleving. De verspreiding van en handel in harddrugs gaat gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, terwijl ook het gebruik ervan vaak gepaard gaat met door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stoffen, hetgeen vaak overlast voor de samenleving met zich brengt. Het onbevoegd bezit van wapens en munitie levert daarnaast in het algemeen het risico van het feitelijk gebruik van die wapens op, met alle gevolgen van dien. Tegen verboden vuurwapenbezit dient dan ook streng te worden opgetreden. Dit geldt hier temeer, omdat in de drugshandel het gebruik van vuurwapens niet zelden tot slachtoffers leidt.
In het opsporingsonderzoek ziet de rechtbank aanwijzingen dat de medeverdachten een grotere organisatorische en/of functionele betrokkenheid hadden bij het “versnijdingspand” dan de verdachte. De rechtbank ziet daarin aanleiding om de verdachte iets lichter te straffen dan de medeverdachten.
7.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 15 juni 2020, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
7.4.
Conclusies van de rechtbank
Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.
Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden passend en geboden.
8..Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
9..Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
10..Beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. N. Doorduijn, voorzitter,
en mrs. H.I. Kernkamp-Maathuis en A. Bonder, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. F.M.H. van Mullekom, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 juli 2020.
De oudste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat:
1.
Zij, op of omstreeks 3 juli 2019, in een pand aan de [adres delict] te Rotterdam,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,
opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt,
in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
- een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 478 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid
van een materiaal bevattende cocaïne, en/of
- een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 4.013,9 gram heroïne, in elk geval een
hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne,
zijnde cocaïne en/of heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet
behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a
van die wet;
2.
Zij in of omstreeks periode van 3 juli 2019 te Rotterdam, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 vanPro de
Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken,
verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten het grondgebied van
Nederland brengen van een of meer hoeveelheid/heden van een
materiaal bevattende cocaïne en/of heroine, zijnde cocaïne en/of heroine een
middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I
voor te bereiden en/of te bevorderen,
- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te
plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of
- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen
tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of
- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere
betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden
had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven
bedoelde feit
hebbende/is verdachte en/of (een of meer van) haar, verdachtes, mededader(s):
- de woning gelegen aan de [adres delict] te Rotterdam gebruikt en/of
beschikbaar gesteld (gekregen), en/of
- versnijdingsmiddelen, te weten 472,4 gram paracetamol voorhanden gehad,
en/of
- een of meerdere teiltjes en/of onderdelen van een drukpers en/of een krik
en/of een pers voorhanden gehad;
3.
Zij, op of omstreeks 3 juli 2019, in een pand aan de [adres delict] te Rotterdam,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,
een of meerdere vuurwapens als bedoeld in de zin van artikel 2, lid 1
categorie III onder 1 van de Wet Wapens en Munitie, te weten (een)
vuurwapen(s) in de zin van artikel 1 onderPro 3 van die wet,
- van het merk/type Glock 19 Gen 4, 9mm, voorzien van serienummer [serienummer 1] ,
en/of
- van het merk/type Fn Gp 35 (High Power), 9mm, voorzien van serienummer
[serienummer 2] ,
en/of
een wapen als bedoeld in de zin van artikel 2 lidPro 1, categorie II, onder 3
en/of 2 van de Wet Wapens en Munitie, te weten een vuurwapen in de zin van