Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
raadslieden mrs. P.J. van Hagen, advocaat te Rotterdam, en G. Spong, advocaat te Amsterdam.
1..Onderzoek op de terechtzitting
2..Inleiding
all you can eatsushi-restaurants exploiteerden. De beschuldiging komt er in het kort op neer dat de verdachte rechtspersoon fraude met de omzet(belasting) heeft gepleegd door het verwijderen van contante omzetten uit de kassa en kassasystemen. Aan het administratiekantoor [naam administratiekantoor] (hierna: [naam administratiekantoor] ), dat voor het concern de belastingaangiften deed, werd valse administratie verstrekt, waardoor dit kantoor onjuiste en onvolledig belastingaangiften deed. De afgeroomde omzet werd in elk geval gebruikt om lonen uit te betalen zonder dat loonbelasting en premies werden voldaan. Daarnaast wordt de verdachte rechtspersoon ervan beschuldigd dat zij heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die belastingfraude en (gewoonte)witwassen tot doel had.
3..Eis officier van justitie
- bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde;
- veroordeling van de verdachte rechtspersoon tot een geldboete van € 54.000,-.
4..Ontvankelijkheid officier van justitie
in de eerste plaatsgelegen in de vaststellingsovereenkomst (hierna: VSO) met de Belastingdienst over het voldoen van de belastingschulden en de bestuurlijke boete. In artikel 4.1 van de VSO is het niet of niet tijdig betalen van de omzetbelasting uitgezonderd van de bestuurlijke boete. Deze is alleen opgelegd voor fraude met vennootschapsbelasting, loonbelasting en inkomstenbelasting. Dat is in strijd met het una via-beginsel zoals neergelegd in artikel 5:44 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Deze bepaling is van dwingend recht en omdat deze bepaling bewust buiten toepassing is gelaten, is er sprake van strijd met de openbare orde. Dit maakt dat artikel 4.1 van de VSO nietig is op grond van 3:40, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en dat heeft tot gevolg dat de bestuurlijke boete ook is opgelegd voor de omzetbelasting.
in de eerste plaatsop het standpunt gesteld dat er geen sprake is van hetzelfde feit, aangezien de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten zien op omzetbelasting en de VSO betrekking heeft op de inkomstenbelasting, de loonbelasting en de vennootschapsbelasting. Dit zijn verschillende vormen van belasting die ook in aparte wetten zijn geregeld. Daar doet de gezamenlijke strafbaarstelling in artikel 69 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) niet aan af. Inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting zijn ook aanslagbelastingen en geen aangiftebelasting zoals omzetbelasting dat is. De aangifte en de betaling van de aanslag worden dus op een verschillend moment gedaan, zodat ook om die reden geen sprake kan zijn van hetzelfde feit.
in de laatste plaatsop het standpunt gesteld dat het niet tijdig betalen niet hetzelfde is als het opzettelijk doen van een onjuiste aangifte. Het betreft dus niet hetzelfde feit. Mocht de rechtbank echter anders oordelen, dan behoeft dat alsnog niet te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie, omdat er sprake is van nieuwe bezwaren in de zin van artikel 255, tweede lid, Sv. Dat de ingevolge artikel 255, vierde lid, Sv vereiste machtiging ontbreekt, maakt dat niet anders, zo volgt uit jurisprudentie (Rechtbank Roermond 20 februari 2008, ECLI:NL:RBROE:2008:BC5150).
bestuur. Dan mist de VSO rechtskracht en zijn partijen over en weer niet aan de afspraken gebonden, met dien verstande dat daarvoor een uitzondering kan gelden voor de inspecteur onder bepaalde, hier niet aan de orde zijnde omstandigheden. De rechtbank is van oordeel dat er binnen dit beoordelingskader geen ruimte is om enerzijds de VSO rechtmatig te achten maar het er anderzijds voor te houden dat de VSO zich mede uitstrekt tot de omzetbelasting.
- niet dan wel onjuist of onvolledig doen van
- aan belanghebbende (lees: de verdachte rechtspersoon) te wijten te laag vaststellen van de
- wegens het niet of niet tijdig
aangiftenvennootschapsbelasting.
aanslageninkomstenbelasting en bij het
betalenvan loonbelasting, nu dit enerzijds niet gaat om aangiften, terwijl de tenlastelegging alleen over aangiften rept en anderzijds betrekking heeft op andere personen dan de verdachte rechtspersoon. Volgens de rechtspraak van het EHRM en van het HvJ levert het feit dat zowel fiscale als strafrechtelijke sancties worden opgelegd, geen schending op van de aan het ne bis in idem-beginsel te relateren regels, wanneer de desbetreffende sancties betrekking hebben op juridisch onderscheiden natuurlijke of rechtspersonen (EHRM, 20 mei 2014, Pirttimäki tegen Finland, no. 35232/11 en Hof van Justitie, Orsi en Baldetti vs Italië, ECLI:EU:2017:264).
aangiftenvennootschapsbelasting, dezelfde feiten zijn als het (zie de tenlastelegging):
enerzijdshet te laat betalen van de omzetbelasting waarvoor verzuimboeten zijn opgelegd en
anderzijdshet onjuist en/of onvolledig aangeven van de omzet en het niet overeenkomstig de Awr bijhouden van een administratie dermate groot is dat geen sprake is van hetzelfde feit als bedoeld in artikel 243 Sv Pro.
5..Waardering van het bewijs
feiten 1 en 2);
(feit 3).
- de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband; en
- de verdachte heeft een aandeel in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in artikel 140 Sr Pro bedoelde oogmerk.