De moeder heeft verzocht om de schriftelijke aanwijzing van de gecertificeerde instelling (GI) van 7 mei 2020 geheel vervallen te verklaren. Deze aanwijzing betrof maatregelen met betrekking tot de verzorging en opvoeding van de minderjarige en het bevorderen van de omgang met de vader.
De GI had de aanwijzing gegeven omdat de moeder onvoldoende medewerking verleende aan het herstarten van begeleide omgang tussen de minderjarige en haar vader, mede vanwege coronamaatregelen en het feit dat de moeder tot een risicogroep behoort. De moeder betwistte de gang van zaken, gaf aan wel medewerking te willen verlenen maar stelde dat fysieke omgang nog te risicovol is en dat alternatieven zoals video-contact met begeleiding gewenst zijn.
De rechtbank oordeelde dat de schriftelijke aanwijzing zorgvuldig tot stand is gekomen en in het belang van de minderjarige is. De moeder wordt geacht de nodige inspanningen te leveren om de omgang op alternatieve wijze vorm te geven. De rechtbank wijst het verzoek tot vervallen verklaring af en bekrachtigt de schriftelijke aanwijzing. Een verzoek tot oplegging van een dwangsom wordt afgewezen omdat de moeder bereid is medewerking te verlenen en een dwangsom niet in het belang van de minderjarige is.