Het Ministerie van Financiën had via een online veiling een personenauto aangeboden. Op 6 februari 2018 werd een bod van €3.501 gedaan op de auto, dat door het Ministerie werd gegund. De gedaagde betaalde het verschuldigde bedrag niet en haalde de auto niet op. Het Ministerie ontbond daarop de koopovereenkomst en stuurde een boetefactuur.
Het geschil betrof de vraag of er daadwerkelijk een overeenkomst tot stand was gekomen. De gedaagde betwistte dat hij een bod had gedaan en stelde pas in mei 2018 van de vordering op de hoogte te zijn gebracht. Het Ministerie kon niet aantonen dat de gedaagde de relevante e-mails had ontvangen of dat het bod daadwerkelijk van hem afkomstig was.
De rechtbank oordeelde dat het Ministerie onvoldoende bewijs had geleverd voor het bestaan van een overeenkomst. Zonder bewijs van een bod kon geen overeenkomst worden aangenomen. De vordering van het Ministerie werd daarom afgewezen en zij werd veroordeeld in de proceskosten.