De rechtbank Rotterdam behandelde het verzoek van de moeder om vervangende toestemming te verkrijgen voor verhuizing met haar minderjarige kind naar Egypte. De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit, maar er is vrijwel geen contact tussen vader en kind sinds begin 2020. De moeder woont met het kind in Nederland en geeft thuisonderwijs, terwijl de vader sinds 2016 in Turkije woont.
De moeder stelde dat zij zich met haar nieuwe echtgenoot in Egypte wil vestigen en verwacht daar beter te kunnen aarden vanwege haar religie. De vader betwistte de noodzaak van de verhuizing, wijst op het gebrek aan binding met Egypte en vreest dat het contact met het kind ernstig zal verslechteren. De Raad voor de Kinderbescherming vond het belang van de moeder zwaarder wegen, maar de rechtbank achtte het aannemelijker dat het contact zal verslechteren.
De rechtbank concludeerde dat de moeder onvoldoende heeft onderbouwd waarom de verhuizing noodzakelijk is en onvoldoende heeft aangetoond dat zij de verhuizing goed heeft voorbereid. Ook is onduidelijk wat de financiële situatie en de rol van de echtgenoot in Egypte is. Gelet op de belangenafweging, waarbij het contact tussen vader en kind centraal staat, wees de rechtbank het verzoek af. De proceskosten worden ieder door de eigen partij gedragen.