Eiser heeft op 19 januari 2020 beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op zijn verzoek van 4 november 2019 om rectificatie en vernietiging van zijn persoonsgegevens. Verweerder, het college van procureurs-generaal, had dit verzoek en de ingebrekestelling van 16 december 2019 betwist te hebben ontvangen, maar eiser overlegde bewijs van aangetekende verzending en ontvangst.
De rechtbank oordeelt dat verweerder niet binnen de wettelijke termijn van vier weken heeft beslist, en ook niet binnen twee weken na ingebrekestelling, zodat het beroep gegrond is. De rechtbank stelt de verbeurde dwangsom vast op € 1.442,- vanwege de overschrijding van de beslistermijn.
Verder verwijst de rechtbank het beroep tegen het alsnog genomen besluit van 18 februari 2020 naar verweerder ter behandeling als bezwaar, waarbij verweerder wordt verzocht het overgelegde uittreksel justitiële documentatie mee te wegen. Tot slot bepaalt de rechtbank dat verweerder het betaalde griffierecht van € 178,- aan eiser vergoedt.