Tegen de verdachte is aangifte gedaan van verkrachting. Vast staat dat de verdachte seks heeft gehad met de aangeefster, maar de kernvraag was of dit op vrijwillige basis of onder dwang plaatsvond.
De rechtbank heeft het bewijs zorgvuldig gewogen. Er zijn getuigenverklaringen die enerzijds spreken over verkrachting en emotionele toestand van de aangeefster, maar deze getuigen waren niet bij het incident aanwezig. Andere getuigen verklaren dat de aangeefster alleen sprak over een ruzie en een gescheurd condoom. Fotomateriaal van letsel bij de aangeefster was aanwezig, maar de rechtbank achtte niet bewezen dat dit letsel door geweld van de verdachte is veroorzaakt.
De rechtbank concludeert dat het dwangmatige karakter van het seksueel contact niet overtuigend kan worden vastgesteld. Daarom spreekt zij de verdachte vrij van verkrachting. De benadeelde partij vordert schadevergoeding, maar wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de verdachte is vrijgesproken. Zij kan haar vordering bij de burgerlijke rechter voortzetten.
Het vonnis is op 23 januari 2020 uitgesproken door de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam, met een nieuwe opbouw van het vonnis die een samenvatting en leeswijzer bevat.