De verdachte werd verdacht van het voorhanden hebben van circa 17,5 miljoen onveraccijnsde sigaretten in een loods te Breda, waarvan hij huurder was. De FIOD voerde onderzoek uit en vond onder meer een vingerafdruk van de verdachte op rekfolie in de loods en een vals onderhuurcontract. De officier van justitie eiste 40 maanden gevangenisstraf.
De verdediging betoogde dat er slechts vermoedens waren, geen bewijs van betrokkenheid bij de sigaretten en dat de vingerafdruk onvoldoende was. De rechtbank stelde vast dat er serieuze aanwijzingen waren, zoals de huurovereenkomst, observaties van een bestelbus met sigaretten bij de loods en de vingerafdruk.
Desondanks concludeerde de rechtbank dat er onvoldoende concrete bewijzen waren dat de verdachte de feitelijke beschikkingsmacht had over de sigaretten en sprak hij verdachte vrij. De inbeslaggenomen sigaretten werden onttrokken aan het verkeer vanwege het strafbare feit, ondanks de vrijspraak.