De rechtbank Rotterdam heeft op 10 augustus 2020 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte die werd verdacht van medeplegen van accijnsfraude binnen een crimineel samenwerkingsverband genaamd Watercypres. De tenlastelegging betrof het voorhanden hebben van circa 1.000.000 en/of 3.500.000 onveraccijnsde sigaretten in de periode van 13 tot en met 17 januari 2018.
Het bewijs bestond uit afgeluisterde telefoongesprekken, observaties, en de aanhouding van verdachte op 17 januari 2018 met 1.000.000 sigaretten in een bestelbus. De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feitelijke beschikkingsmacht had over deze partij en wist dat het om onveraccijnsde sigaretten ging. Voor de partij van 3.500.000 sigaretten was het bewijs onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen, waardoor verdachte daarvan werd vrijgesproken.
De rechtbank oordeelde dat het bewezen feit strafbaar was als medeplegen van een opzettelijke overtreding van de Wet op de accijns. Gelet op de ernst van het feit, de omvang van de partij sigaretten en de nadelige gevolgen voor de staat en bonafide handelaren, werd een gevangenisstraf opgelegd van 11 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar. De straf werd verminderd met één maand wegens overschrijding van de redelijke termijn. Tevens werd een in beslag genomen telefoon verbeurd verklaard.
De rechtbank hield rekening met het feit dat verdachte niet eerder was veroordeeld en financieel was geconfronteerd met naheffingsaanslagen. De straf is een reactie op de grootschalige illegale handel die de reguliere markt verstoorde en de staat benadeelde. De uitspraak werd in het openbaar uitgesproken door de meervoudige kamer voor strafzaken.