De zaak betreft een geschil over de voortzetting van een huurovereenkomst voor een woonwagenstandplaats na het overlijden van de oorspronkelijke huurder, de grootvader van eiser. Eiser, de kleinzoon, betoogde dat hij met zijn grootvader een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde en dat hij voldoende waarborg biedt voor de nakoming van de huur.
De gemeente betwistte dit en voerde aan dat eiser niet duurzaam met zijn grootvader samenwoonde en onvoldoende financiële waarborg bood. Tevens stelde de gemeente dat eiser probeerde het toewijzingsbeleid te frustreren.
De kantonrechter stelde vast dat eiser sinds 1993 zijn hoofdverblijf op het adres had en vanaf 2000 samenwoonde met zijn grootvader. Gezien de bijzondere omstandigheden, waaronder de psychische problematiek van eiser en de wederzijdse bijdragen aan de huishouding, was er sprake van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Daarnaast bood eiser voldoende waarborg voor de huur, gezien de inhaalslag van huurachterstanden en tijdige betalingen.
De kantonrechter bepaalde dat eiser de huurovereenkomst op eigen naam kan voortzetten en wees de ontruimingsvordering van de gemeente af. De gemeente werd veroordeeld in de proceskosten.