Op 26 april 2020 vond op een parkeerterrein in Dordrecht een geweldsincident plaats waarbij slachtoffers met vuurwapens werden geslagen en één slachtoffer in het been werd geschoten. De politie trof de slachtoffers kort na het incident aan, maar er waren geen camerabeelden van de daders en geen forensisch bewijs zoals DNA of vingerafdrukken.
Het onderzoek naar ANPR-registraties en zendmastgegevens van telefoons van de verdachte en zijn medeverdachte leverde geen belastend bewijs op. Slachtoffers herkenden de verdachten later op Facebookfoto’s, maar deze herkenning was gebaseerd op informatie waarvan de bronnen ontkenden die te hebben verstrekt. Bovendien waren de daders deels gezichtsbedekt en duurde het incident kort.
De rechtbank concludeerde dat de herkenning onvoldoende betrouwbaar was en dat het bewijs onvoldoende overtuigend was om de verdachte te verbinden aan het geweldsincident. Daarom sprak de rechtbank de verdachte vrij van alle ten laste gelegde feiten en hief de voorlopige hechtenis op.
De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot schadevergoeding omdat er geen straf of maatregel was opgelegd. De rechtbank veroordeelde de benadeelde partij tot betaling van de proceskosten aan de verdachte.