ECLI:NL:RBROT:2020:7079
Rechtbank Rotterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen sluiting woning wegens handelshoeveelheid softdrugs
Verzoeker maakte bezwaar tegen het besluit van de burgemeester van Rotterdam tot sluiting van zijn woning wegens de vondst van 10.050 gram cannabis. De politie trof de drugs aan in de woning van verzoeker, waar meerdere mannen aanwezig waren, waarvan één verklaarde eigenaar van de drugs te zijn. Verzoeker stelde dat de drugs slechts tijdelijk in zijn woning waren en dat er geen indicaties waren van handel vanuit de woning.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de burgemeester bevoegd was tot sluiting omdat de hoeveelheid softdrugs de handelshoeveelheid ruim overschreed. Gezien de ernst van de overtreding en de aanwezigheid van verpakkingsmateriaal, het feit dat de drugs vermoedelijk van een vriend van een vriend van verzoeker was die langere tijd in de woning verbleef, en de ligging van de woning in een kwetsbare wijk met veel drugsdelicten, was sluiting noodzakelijk ter bescherming van het woon- en leefklimaat.
Verzoekers argumenten dat hij niets wist van de drugs en dat sluiting disproportioneel is vanwege zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder de omgang met zijn minderjarige zoon, werden verworpen. De voorzieningenrechter stelde dat verzoeker als eigenaar verantwoordelijk is voor wat er in zijn woning gebeurt en dat de sluiting evenredig is. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de sluiting van de woning wordt afgewezen.