De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van feitelijk leidinggeven aan valsheid in geschrift en medeplegen daarvan bij twee rechtspersonen. De officier van justitie eiste een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf.
Uit het dossier en verklaringen van (ex-)werknemers, de vader en stiefmoeder van verdachte bleek dat niet verdachte, maar zijn vader feitelijk leiding gaf aan de rechtspersonen. Verdachte was wel bestuurder en aandeelhouder, maar dit bleek slechts een functie op papier. Er was geen wettig en overtuigend bewijs dat verdachte feitelijk leiding gaf.
Ook voor het subsidiaire feit van medeplegen was onvoldoende bewijs aanwezig. Er waren geen aanwijzingen voor een nauwe en bewuste samenwerking tussen vader en zoon bij het plegen van de valsheid in geschrift. De rechtbank sprak verdachte daarom vrij van alle tenlastegelegde feiten.