ECLI:NL:RBROT:2020:7133

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
7 augustus 2020
Publicatiedatum
11 augustus 2020
Zaaknummer
8273830
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.1.2 sub a Wet langdurige zorg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering CAK wegens onjuiste berekening eigen bijdrage en vrijstelling

De zaak betreft een vordering van het CAK tegen een gedaagde die woonachtig is binnen een beschermde woonvorm. CAK vorderde betaling van een eigen bijdrage over een bepaalde periode, gebaseerd op facturen die onbetaald waren gebleven. De gedaagde betwistte de vordering en stelde dat door een te hoge bijstandsuitkering van de gemeente Rotterdam de eigen bijdrage onjuist was berekend en dat hij inmiddels vrijstelling had gekregen.

De rechtbank stelde vast dat CAK verantwoordelijk is voor het vaststellen en innen van de eigen bijdrage en dat de eigen bijdrage in dit geval onjuist was vastgesteld vanwege verkeerde gegevens over de bijstandsuitkering. De gedaagde was inmiddels vrijgesteld van de eigen bijdrage over de periode waarop de vordering betrekking had. CAK had het gecrediteerde bedrag deels verrekend met latere eigen bijdrage, maar de rechtbank oordeelde dat verrekening van een niet verschuldigd bedrag met een latere vordering niet is toegestaan.

Daarom wees de rechtbank de hoofdsom, de wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten af. CAK werd veroordeeld in de proceskosten, die aan de zijde van de gedaagde op nihil werden vastgesteld. Het verzoek van de gedaagde tot vergoeding van proceskosten werd niet gehonoreerd omdat dit niet was onderbouwd.

De uitspraak werd gedaan door de kantonrechter E.A. Vroom tijdens een openbare zitting te Rotterdam op 7 augustus 2020.

Uitkomst: De vordering van CAK tot betaling van de eigen bijdrage wordt afgewezen wegens onjuiste berekening en verleende vrijstelling.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8273830 \ CV EXPL 20-2179
uitspraak: 7 augustus 2020
vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,
in de zaak van
de publiekrechtelijke rechtspersoon
De publiekrechtelijke rechtspersoon: zelfstandig bestuursorgaan (zbo) CAK,
gevestigd te 's-Gravenhage,
eiseres,
gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V. te Rotterdam,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde,
procederend in persoon.
Partijen worden hierna aangeduid als ‘CAK’ en ‘ [gedaagde] ’.

1..Het verloop van de procedure

1.1.
Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:
  • het exploot van dagvaarding met producties van 6 januari 2020;
  • de schriftelijke reactie van [gedaagde] met producties;
  • de conclusie van repliek met producties;
  • de e-mail van [gedaagde] met een bijlage;
  • de rolbeslissing van 12 juni 2020;
  • de akte uitlating productie.
1.2.
De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2..De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.
2.1.
[gedaagde] is vanaf 12 april 2019 woonachtig binnen de beschermde woonvorm van het Leger des Heils. CAK is belast met het vaststellen en innen van de eigen bijdrage die [gedaagde] hiervoor dient te betalen.
2.2.
Bij beschikking van 21 juni 2019 heeft CAK aan [gedaagde] meegedeeld dat zijn eigen bijdrage over de periode van 15 april 2019 tot en met 14 augustus 2019 € 164,20 per maand bedraagt.
2.3.
Op 21 juni 2019 heeft CAK een factuur gezonden aan [gedaagde] ter zake van de eigen bijdrage over april, mei en juni 2019, ter hoogte van in totaal € 414,77 en op 19 juli 2019 een factuur over de maand juli 2019 ter hoogte van € 164,20.
2.4.
[gedaagde] ontvangt een bijstandsuitkering van Gemeente Rotterdam. Bij besluit van 30 juli 2019 heeft Gemeente Rotterdam hem meegedeeld dat hij vanaf 1 april 2019 tot en met 30 juni 2019 te veel uitkering ontvangen heeft, omdat hij in de beschermde woonvorm verbleef. Gemeente Rotterdam houdt daarom vanaf augustus 2019 maandelijks een bedrag in op de uitkering van [gedaagde] , om deze schuld af te lossen.
2.5.
Op 26 augustus 2019 heeft [gedaagde] CAK gevraagd om vrijstelling voor het betalen van de eigen bijdrage aan CAK. Bij brief van 29 augustus 2019 is dit verzoek afgewezen omdat niet was gebleken dat hij aan de voorwaarden voor vrijstelling voldeed.

3..Het geschil

3.1.
CAK heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen om aan haar te betalen een bedrag van € 689,07, vermeerderd met de wettelijke rente over € 578,97 te berekenen vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van de algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.
3.2.
Aan haar vordering heeft CAK het volgende ten grondslag gelegd. [gedaagde] heeft de facturen van 21 juni en 19 juli 2019 ter hoogte van in totaal € 578,97 onbetaald gelaten. CAK vordert daarom betaling van deze facturen. CAK vordert daarnaast de wettelijke rente over die facturen, die berekend tot de dag van de dagvaarding € 5,01 bedraagt, en een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 105,09 (inclusief btw).
3.3.
[gedaagde] heeft de vordering betwist en daartoe het volgende aangevoerd. Doordat Gemeente Rotterdam een te hoge bijstandsuitkering heeft uitgekeerd aan [gedaagde] is CAK uitgegaan van verkeerde gegevens bij het berekenen van de eigen bijdrage. Na herberekening van de bijstandsuitkering komt [gedaagde] in aanmerking voor vrijstelling van de eigen bijdrage.
3.4.
Op hetgeen partijen verder hebben aangevoerd zal de kantonrechter, voor zover van belang, hierna ingaan.

4..De beoordeling

4.1.
Op basis van artikel 6.1.2. sub a Wet langdurige zorg is CAK belast met de vaststelling en inning van de eigen bijdrage voor de zorg die [gedaagde] ontvangt. In wezen gaat het er in deze zaak om of CAK die eigen bijdrage correct heeft vastgesteld.
4.2.
Voor de beoordeling daarvan is het volgende van belang. Bij zijn e-mail aan de rechtbank van 30 april 2020 heeft [gedaagde] een brief van 3 april 2020 van CAK overgelegd, waarin is gemeld dat [gedaagde] is vrijgesteld van de eigen bijdrage over de periode 15 april 2019 tot en met 14 augustus 2019 (dus ook voor de periode waar de onderhavige procedure op ziet). CAK heeft dit in haar akte uitlaten niet betwist. CAK heeft echter gesteld dat [gedaagde] inmiddels de eigen bijdrage over mei 2020 verschuldigd was ter hoogte van € 298,58 en dat zij hiermee het gecrediteerde bedrag eerst heeft verrekend en dat zij het restant (van € 355,97) in mindering laat strekken op de onderhavige vordering. In dat kader overweegt de kantonrechter het volgende.
4.3.
Als onbetwist staat dus vast dat CAK de eigen bijdrage bij [gedaagde] in rekening heeft gebracht op basis van een onjuiste berekening van de bijstandsuitkering door gemeente Rotterdam en dat [gedaagde] inmiddels is vrijgesteld van de eigen bijdrage over de periode 12 april 2019 tot en met 31 juli 2019. Daarom staat vast dat CAK geen vorderingsrecht heeft op [gedaagde] over deze periode. De stelling van CAK met betrekking tot de verrekening van het creditbedrag met de eigen bijdrage over de maand mei 2020 volgt de kantonrechter dan ook niet. Voor verrekening van een niet verschuldigd bedrag met een latere vordering is immers geen plaats. De gevorderde hoofdsom wordt daarom afgewezen. De vordering met betrekking tot de wettelijke rente treft hetzelfde lot.
4.4.
Nu vast staat dat [gedaagde] de hoofdsom niet verschuldigd was, zullen de buitengerechtelijke kosten eveneens worden afgewezen. De omstandigheid dat pas in de loop van deze procedure is vast komen te staan dat [gedaagde] de betreffende kosten niet verschuldigd is, maakt dit niet anders. CAK is immers belast met de vaststelling van de eigen bijdrage en is in beginsel verantwoordelijk voor het vergaren van de juiste informatie hiervoor. Reeds op 30 juli 2019 maakte Gemeente Rotterdam kenbaar dat de bijstandsuitkering van [gedaagde] is herzien. Klaarblijkelijk heeft dit pas bijna een jaar later geleid tot herziening van de eigen bijdrage van [gedaagde] . Gesteld noch gebleken is dat in dit geval de ‘late’ vrijstelling voor rekening en risico van [gedaagde] dient te komen.
4.4.
Om dezelfde reden wordt CAK als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van deze procedure. Deze kosten worden aan de zijde van [gedaagde] gesteld op nihil. Weliswaar heeft hij in zijn schriftelijke reactie aangevoerd dat hij in aanmerking wil komen voor vergoeding van de kosten van deze procedure. Echter heeft hij dit verzoek niet onderbouwd of gespecificeerd.

5..De beslissing

De kantonrechter:
wijst de vorderingen van CAK af;
veroordeelt CAK in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] vastgesteld op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Vroom en uitgesproken ter openbare terechtzitting.
33394