ECLI:NL:RBROT:2020:7171

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
17 juli 2020
Publicatiedatum
13 augustus 2020
Zaaknummer
8221183 CV EXPL 19-53273
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119a BWArt. 150 RvBesluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling onbetaalde factuur en vordering in reconventie over leaseautokosten en werkmaterialen

In deze civiele procedure vordert eiser betaling van een onbetaalde factuur voor geleverde diensten, inclusief wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke incassokosten. Gedaagde erkent de hoofdsom, maar stelt een tegenvordering in wegens vermeende schade.

De kantonrechter oordeelt dat de hoofdsom van € 4.828,49 onbetwist is en toewijsbaar, terwijl de buitengerechtelijke incassokosten worden gematigd op grond van de wettelijke staffel. De wettelijke handelsrente wordt eveneens toegewezen vanaf de dag van dagvaarding.

In reconventie vordert eiser een bedrag wegens werkmaterialen, een elektrische thermometer en kosten voor een leaseauto. De vorderingen voor werkmaterialen en thermometer worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De vordering voor de helft van de leaseautokosten wordt toegewezen omdat gedaagde zijn betwisting onvoldoende heeft onderbouwd.

De proceskosten worden gecompenseerd zodat elke partij haar eigen kosten draagt. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de onbetaalde factuur en de helft van de leaseautokosten, overige vorderingen worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8221183 CV EXPL 19-53273
uitspraak: 17 juli 2020
vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,
in de zaak van
[eiser 1],
handelend onder de naam [handelsnaam 1] ,
wonende en zaakdoende te [plaats] (gemeente [gemeente] ),
eiser,
verweerder in reconventie,
gemachtigde: Active Collecting Control & Services B.V. te Eindhoven,
tegen
[gedaagde] ,
handelend onder de naam [handelsnaam 2],
wonende en zaakdoende te [plaats] (gemeente [gemeente] ),
gedaagde,
eiser in reconventie,
procederend in persoon.
Partijen worden hierna aangeduid als “ [eiser 1] ” respectievelijk “ [gedaagde] ”.

1..Het verloop van de procedure

1.1
Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:
  • het exploot van dagvaarding van 2 december 2019, met producties;
  • het schriftelijke antwoord van [gedaagde] in conventie tevens conclusie van eis in reconventie, met producties;
  • de conclusie van antwoord in reconventie;
  • het schriftelijke antwoord van [gedaagde] in reconventie, met producties;
  • de conclusie van dupliek in reconventie.
1.2
De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2..Het geschil in conventie

2.1
[eiser 1] heeft gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen aan hem tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van
€ 4.828,49 aan hoofdsom, € 165,09 aan verschenen rente en € 724,27 aan buitengerechtelijke kosten, een en ander met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
Aan deze vordering heeft [eiser 1] – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – het volgende ten grondslag gelegd. [eiser 1] heeft één dan wel meerdere diensten aan [gedaagde] verleend zoals is overeengekomen in een overeenkomst gesloten via WhatsApp. [gedaagde] is toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van deze overeenkomst, omdat hij van een
factuur (kenmerk: [kenmerk factuur] ) een restantbedrag van € 4.828,49 onbetaald heeft gelaten ondanks schriftelijke ingebrekestelling. Door de wanbetaling van de zijde van [gedaagde] zag [eiser 1] zich genoodzaakt zijn gemachtigde in te schakelen en buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 724,27 te maken. Deze kosten dienen voor rekening van [gedaagde] te komen. Voorts maakt [eiser 1] aanspraak op de wettelijke handelsrente, waaronder een bedrag van € 165,09 aan reeds verschenen rente.
2.2
[gedaagde] heeft de verschuldigdheid van de gevorderde hoofdsom niet weersproken maar heeft aangevoerd dat [eiser 1] voor een bedrag van € 7.293,24 aan schade heeft toegebracht aan [gedaagde] en dat hieraan tegemoet dient te worden gekomen. De kantonrechter vat deze stelling - evenals [eiser 1] blijkens zijn conclusie van antwoord in reconventie - op als een reconventionele vordering.

3..Het geschil in reconventie

3.1
[eiser 2] heeft gevorderd [verweerder] te veroordelen aan hem een bedrag van € 7.293,24.
Aan deze vordering heeft [eiser 2] - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende ten grondslag gelegd. [eiser 2] heeft voor een bedrag van € 1.348,04 aan werkmaterialen aangeschaft voor [verweerder] . Dit bedrag zou op een later tijdstip worden verrekend als [verweerder] een financiële buffer had opgebouwd. Momenteel is slechts een bedrag van € 120,22 verrekend, waardoor nog een bedrag van € 1.227,82 resteert.
Tevens heeft [verweerder] een elektrische thermometer met een actuele waarde van € 1.744,82 van [eiser 2] in zijn bezit. Gezien het feit dat deze niet is teruggegeven, dient het aankoopbedrag te worden terugbetaald.
In december 2018 stelde [verweerder] voor om een vriend op te leiden, zodat hij in dienstverband voor het bedrijf van [eiser 2] zou kunnen werken. Deze persoon, de heer [naam persoon] , zou maandelijks salaris en een leaseauto krijgen. Hij was echter revaliderend en had geen werkervaring, wat een behoorlijk risico met zich bracht. [verweerder] had daarop aangegeven dat indien het geen succes zou worden, hij bereid was om de kosten van de leaseauto te delen. De heer [naam persoon] stopte na twee maanden met werken, terwijl het leasecontract voor een jaar doorliep. In de overige tien maanden heeft [eiser 2] zelf alle leasekosten à
€ 864,12 in de maand betaald. De afspraak is dus dat [verweerder] de helft zou moeten betalen, wat neerkomt op een totaalbedrag van € 4.320,60 (5x € 864,12).
3.2
[verweerder] heeft de vordering gemotiveerd betwist.
3.3
Op de stellingen van partijen wordt – voor zover althans van belang voor de uitkomst van de procedure – hierna in de beoordeling teruggekomen.

4..De beoordeling

in conventie
4.1
De vordering met betrekking tot de hoofdsom van € 4.828,49 is door [gedaagde] niet weersproken en is derhalve toewijsbaar.
4.2
In de aanmaning van [eiser 1] van 13 november 2019 is een bedrag van € 724,27 exclusief btw aan buitengerechtelijke incassokosten aangezegd over een bedrag van € 4.828,49. [eiser 1] heeft verklaard daarvoor aansluiting te hebben gezocht bij de staffel die is bepaald in artikel 6:96 lid 2 sub c en Pro lid 4 BW in verbinding met artikel 2 van Pro het Besluit voor vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Op grond van de betreffende staffel kan echter, bij een hoofdsom van € 4.828,49, een bedrag van € 607,85 exclusief btw worden toegewezen.
4.3
De gevorderde - niet afzonderlijk weersproken - verschenen wettelijke handelsrente ten bedrage van € 165,09 wordt eveneens toegewezen. De wettelijke handelsrente vanaf de dag der dagvaarding wordt toegewezen op de wijze zoals hierna vermeld.
in reconventie
4.4
[verweerder] heeft ter onderbouwing van zijn vordering ten aanzien van de aangeschafte werkmaterialen (een bedrag van € 1.348,04) een aantal facturen overgelegd. Uit deze facturen valt echter alleen op te maken dat sprake is van een verrekening voor een bedrag van € 120,22 voor een filtermasker en een grijze opbergbus (hetgeen overeenstemt met het standpunt van [verweerder] ). [eiser 2] stelt daarbij weliswaar dat er geen reden voor hemzelf was om binnen twee jaar twee keer (vrijwel) dezelfde werkmaterialen aan te schaffen, maar uit niets blijkt dat er tussen partijen concrete afspraken zijn gemaakt over de aangeschafte werkmaterialen en over een eventuele terugbetaling van het bovengenoemde restantbedrag door [verweerder] . [eiser 2] heeft deze stelling dan ook niet voldoende onderbouwd. Deze vordering is daarom niet toewijsbaar.
4.5
Naar aanleiding van de betwisting door [verweerder] dat hij de elektrische thermometer van [eiser 2] in bezit heeft, heeft [eiser 2] een (kort) gesprek via Whatsapp van 24 en 25 mei 2019 overgelegd. Daaruit volgt wel dat partijen met elkaar het een en ander willen ‘afhandelen’, maar niet dat [verweerder] de betreffende thermometer van [eiser 2] in zijn bezit heeft. Daar is immers niets over geschreven. Deze stelling heeft [eiser 2] aldus eveneens onvoldoende onderbouwd, waardoor deze vordering ook niet toewijsbaar is.
4.6
[verweerder] heeft erkend dat tussen partijen een mondelinge afspraak is gemaakt over het delen van de kosten voor de leaseauto van de heer [naam persoon] . Hij stelt echter dat deze afspraak pas zou gelden vanaf het moment waarop partijen gezamenlijk tot de oprichting van een B.V. zouden overgaan. Nu er geen sprake is van de oprichting van een B.V. hoeft [verweerder] niet bij te dragen aan deze kosten. De kantonrechter begrijpt het verweer van [verweerder] zo dat hij stelt dat een voorwaarde aan de afspraak is verbonden. Dit verweer van [verweerder] wordt aangemerkt als een bevrijdend verweer. Ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv Pro rust op [verweerder] de bewijslast van deze stelling. Gelet op de gemotiveerde betwisting van [eiser 2] , had het op de weg van [verweerder] gelegen om feiten en/of omstandigheden aan te voeren ter onderbouwing van zijn stelling. Dit heeft hij echter nagelaten. [verweerder] heeft ter zake evenmin een bewijsaanbod gedaan. Daarom wordt aan deze stelling van [verweerder] voorbijgegaan en zal deze vordering ten bedrage van € 4.320,60 worden toegewezen.
In conventie en in reconventie
4.7
Op grond van het voorgaande ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten te compenseren, met dien verstande dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5..De beslissing

De kantonrechter:
in conventie
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser 1] tegen kwijting te betalen een bedrag van € 5.601,43,
vermeerderd met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW over een bedrag van
€ 4.828,49 vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening;
in reconventie
veroordeelt [verweerder] om aan [eiser 2] te betalen een bedrag van € 4.320,60;
in conventie en in reconventie
compenseert de kosten van de procedure, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Vroom en uitgesproken ter openbare terechtzitting.
44240