ECLI:NL:RBROT:2020:7345

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
14 augustus 2020
Publicatiedatum
24 augustus 2020
Zaaknummer
8376580
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:44 BWArt. 6:96 lid 6 BWBesluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering zorgverzekeraar tot betaling achterstallige premie en proceskosten

Tussen AnderZorg N.V. en de verzekerde is een zorgverzekeringsovereenkomst gesloten waarbij de verzekerde maandelijks premie verschuldigd is. De verzekerde liet een achterstand ontstaan van €126,95 over augustus 2019. Na aanmaningen betaalde de verzekerde na dagvaarding twee bedragen van €126,95, waarmee rente en incassokosten deels werden voldaan.

AnderZorg vorderde aanvankelijk €176,61 plus wettelijke rente en proceskosten. Na betaling van €253,90 door de verzekerde werd de eis verminderd. De kantonrechter oordeelde dat de betaling eerst rente en kosten dekte, waarna een restant van €49,66 aan hoofdsom overbleef. De resterende hoofdsom en proceskosten werden niet tijdig voldaan, waardoor de procedure terecht werd voortgezet.

De kantonrechter wees de vordering tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten toe en veroordeelde de verzekerde in het restant van de proceskosten van €187,80. Een teveel betaalde vergoeding van €735,48 werd niet verrekend, waardoor een deel van de proceskosten als onnodig werd aangemerkt en voor rekening van AnderZorg bleef.

Uitkomst: Verzekerde wordt veroordeeld tot betaling van het restant van de proceskosten van €187,80.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8376580 \ CV EXPL 20-7716
uitspraak: 14 augustus 2020
vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,
in de zaak van
de naamloze vennootschap
AnderZorg N.V.,
gevestigd te Wageningen,
eiseres,
gemachtigde: Landelijke Associatie van Gerechtsdeurwaarders B.V. te Groningen,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats gedaagde] ,
gedaagde,
procederend in persoon.
Partijen worden hierna verder aangeduid als “AnderZorg” en “ [gedaagde] ”.

1..Het verloop van de procedure

1.1.
Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen.
  • het exploot van dagvaarding van 14 februari 2020 met één productie;
  • het schriftelijke verweer van [gedaagde] , ingediend op de rolzitting van 12 mei 2020, met één productie.
  • de conclusie van repliek, tevens akte houdende vermindering van eis, met producties;
  • het schriftelijke verweer van [gedaagde] , ingediend op de rolzitting van 15 juli 2020.
1.2.
De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2..De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.
2.1.
Tussen AnderZorg als zorgverzekeraar en [gedaagde] als verzekeringnemer is een zorgverzekeringsovereenkomst tot stand gekomen. Deze overeenkomst met polisnummer [nummer polis] heeft betrekking op de verplichte basisverzekering en/of aanvullende verzekering. Uit hoofde van deze overeenkomst is [gedaagde] aan AnderZorg maandelijks bij vooruitbetaling premie verschuldigd.
2.2.
[gedaagde] heeft een achterstand laten ontstaan in de betaling van de maandelijkse premie. Deze achterstand heeft betrekking op de verschuldigde premie voor de basisverzekering en aanvullende verzekering van de maand augustus 2019, in totaal bedragende € 126,95.
2.3.
LAVG heeft bij e-mail van 31 oktober 2019 [gedaagde] aangemaand om binnen een termijn van 15 dagen, nadat de e-mail bij [gedaagde] is bezorgd, een totaalbedrag van € 126,95 te voldoen, bij gebreke waarvan de vordering verhoogd zal worden met buitengerechtelijke incassokosten ad € 48,40 incl. btw. Bij brief van 6 december 2019 heeft LAVG [gedaagde] aangemaand binnen vijf dagen na dagtekening van die brief een totaalbedrag van € 176,23 te voldoen.
2.4.
LAVG heeft op 18 februari 2020 een betaling van € 126,95 van [gedaagde] ontvangen.
2.5.
AnderZorg heeft op 27 maart 2020 een betaling van € 126,95 van [gedaagde] ontvangen.

3..De vordering

3.1.
AnderZorg heeft in eerste instantie bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen een bedrag van € 176,61, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 126,95 vanaf 30 januari 2020 tot de dag der algehele voldoening en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
Aan haar vordering legt AnderZorg - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - ten grondslag dat [gedaagde] , ondanks sommatie, in gebreke is gebleven met tijdige en volledige betaling van de door haar uit hoofde van de zorgverzekerings-overeenkomst aan AnderZorg verschuldigde premie over de maand augustus 2019 ten bedrage van € 126,95. AnderZorg zag zich genoodzaakt haar vordering ter incasso uit handen te geven. Naast betaling van voornoemde premie vordert AnderZorg de wettelijke rente tot en met 30 januari 2020 van € 1,26 alsmede een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten van € 48,40 (incl. btw).
3.3.
Bij conclusie van repliek heeft AnderZorg haar vordering verminderd met het na dagvaarding van [gedaagde] ontvangen totaalbedrag van € 253,90, (zie 2.4 en 2.5).

4..Het verweer

4.1.
[gedaagde] heeft verweer gevoerd tegen de vordering en heeft in dat kader - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - aangevoerd dat de gevorderde hoofdsom inmiddels volledig door haar is voldaan en er zelfs een bedrag teruggeboekt is naar haar rekening.
4.2.
De buitengerechtelijke incassokosten waren op het moment van het starten van onderhavige procedure nog niet voldaan. AnderZorg heeft niet aangegeven dat er nog een bedrag aan buitengerechtelijke kosten openstond bij LAVG. De buitengerechtelijke incassokosten zijn op 22 juni 2020 alsnog voldaan. [gedaagde] maakt bezwaar tegen de gevorderde proceskostenveroordeling, nu deze kosten minder hoog zouden zijn opgelopen als LAVG de procedure had ingetrokken.

5..De beoordeling

5.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] op de dag van dagvaarding een achterstand had in de betaling van de premie van de maand augustus 2019, ter hoogte van het bedrag van € 126,95.
5.2.
[gedaagde] heeft voorts niet betwist - en daarmee staat vast - dat zij tot de dag van dagvaarding een bedrag van € 1,26 aan wettelijke rente verschuldigd was.
5.3.
AnderZorg maakt eveneens aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De vordering dient beoordeeld te worden aan de hand van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De namens AnderZorg per e-mail aan [gedaagde] gezonden aanmaning van 31 oktober 2019 voldoet aan de in artikel 6:96 lid 6 BW Pro gestelde eisen. Nu [gedaagde] hieromtrent geen verweer heeft gevoerd, zal van de ontvangst van deze aanmaning door [gedaagde] worden uitgegaan. Daarnaast staat vast dat zij niet binnen de in de aanmaning gestelde termijn tot volledige betaling van de gevorderde hoofdsom is overgegaan. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke kosten van € 48,40 is dan ook toewijsbaar.
5.4.
Vast staat dat [gedaagde] ná dagvaarding en ter voldoening van onderhavige schulden zowel op 18 februari 2020 als op 27 maart 2020 een bedrag van € 126,95 heeft voldaan, in totaal derhalve een bedrag van € 253,90.
5.5.
Ten aanzien van de toerekening van deze betalingen aan het verschuldigde heeft te gelden dat, ingevolge artikel 6:44 lid 1 BW Pro, betalingen ter voldoening van een geldsom eerst in mindering strekken van de kosten, vervolgens van de verschenen rente en ten slotte van de hoofdsom. Correcte toepassing van de imputatieregeling brengt mee dat met de betaling van € 126,95 van 18 februari 2020 de verschenen rente ad € 1,26 en buitengerechtelijke kosten ad € 48,40 volledig zijn voldaan en er van de hoofdsom nog een bedrag resteerde van € 49,66.
5.6.
Aangezien met de betaling van 18 februari 2020 nog niet de volledige vordering vóór de eerste zittingsdag (te weten 17 maart 2020) was voldaan, heeft AnderZorg de procedure op terechte gronden voortgezet. De daardoor veroorzaakte proceskosten dienen dan ook voor rekening van [gedaagde] te komen. Teneinde proceskosten te voorkomen had het immers op haar weg gelegen om de vordering eerder en volledig te voldoen. [gedaagde] heeft er echter voor gekozen om pas ná het uitbrengen van het exploot van dagvaarding tot betaling over te gaan, ondanks de herinneringen en aanmaningen die Anderzorg en haar gemachtigde voorafgaand aan onderhavige procedure aan [gedaagde] hebben verzonden.
5.7.
De nadien door [gedaagde] verrichte betaling van € 126,95 van 27 maart 2020 strekt vervolgens ten eerste in mindering op de resterende hoofdsom ad € 49,66, die daarmee eveneens volledig is voldaan. De stelling van [gedaagde] , dat AnderZorg en haar gemachtigde na deze betaling verzuimd zouden hebben een schriftelijke herinnering of ingebrekestelling ten aanzien van de nog openstaande buitengerechtelijke kosten aan [gedaagde] te sturen, wordt verworpen. De buitengerechtelijke kosten zijn immers reeds voldaan middels de betaling van 18 februari 2020.
5.8.
Na verrekening van de betaling van 27 maart 2020 ad € 126,95 met de resterende hoofdsom van € 49,66, resteerde van de betaling van 27 maart 2020 nog een bedrag van
€ 77,29. Aangezien op dat moment enkel de proceskosten nog openstonden, strekt het bedrag van € 77,29 daarop in mindering.
5.9.
Dat AnderZorg een bedrag zou hebben teruggeboekt - zoals door [gedaagde] wordt gesteld - blijkt niet uit de door [gedaagde] overgelegde betalingsbewijzen. Evenwel blijkt uit de door AnderZorg bij conclusie van repliek overgelegde interne gespreknotitie van 30 maart 2020 dat AnderZorg omstreeks laatstgenoemde datum een bedrag van € 735,48 als ‘teveel betaald’ heeft teruggestort naar [gedaagde] . De kantonrechter is van oordeel dat het op de weg van AnderZorg had gelegen het teveel betaalde bedrag van € 735,48 eerst te verrekenen met de in onderhavige procedure nog verschuldigde proceskosten, zodat daarmee onderhavige procedure beëindigd had kunnen worden. Nu zij dit heeft nagelaten, is de kantonrechter van oordeel dat de kosten van de nadien door AnderZorg ingediende conclusie van repliek (1 punt gemachtigdensalaris à
€ 36,00) als nodeloos gemaakt voor rekening van AnderZorg dienen te blijven.
5.10.
[gedaagde] stelt op 22 juni 2020 de buitengerechtelijke kosten aan de gemachtigde van AnderZorg te hebben voldaan. Nog afgezien van het feit dat de buitengerechtelijke kosten op het moment van de gestelde betaling reeds voldaan waren, heeft [gedaagde] geen bewijs van deze betaling in het geding gebracht. Omdat AnderZorg hier bovendien niet meer op heeft kunnen reageren, zal de kantonrechter thans geen rekening houden met deze stelling. Wel gaat de kantonrechter er van uit dat, indien en voor zover [gedaagde] daadwerkelijk een betaling heeft verricht op 22 juni 2020, AnderZorg deze betaling in mindering zal brengen op de hierna toe te wijzen proceskosten.
5.11.
De totale proceskosten aan de zijde van AnderZorg worden vastgesteld op € 229,09 aan verschotten (waarvan € 124,00 aan griffierecht en € 105,09 aan dagvaardingskosten) en
€ 36,00 aan salaris voor de gemachtigde, derhalve in totaal € 265,09. Nu hierop in mindering strekt het van de betaling van 27 maart 2020 resterende bedrag van € 77,29, betekent dit dat [gedaagde] , als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld zal worden in (het restant van) de proceskosten van € 187,80.

6..De beslissing

De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagde] in (het restant van) de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van AnderZorg vastgesteld op € 187,80;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Bezuijen en uitgesproken ter openbare terechtzitting.
44487