Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- verzoekster;
- mevrouw [naam 2] , werkzaam bij Avres (hierna: schuldhulpverlening);
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Rotterdam
Verzoekster diende een verzoek in tot toepassing van artikel 287a Faillissementswet om een schuldeiser te dwingen in te stemmen met een aangeboden schuldregeling. De enige schuldeiser die niet instemde, had een vordering van circa €66.390,97. Verzoekster bood een betaling van 2,24% van de vordering aan, gefinancierd door een saneringskrediet, gebaseerd op haar AOW-uitkering en een klein pensioen.
De schuldeiser stelde dat verzoekster nog recht had op een vordering van €17.500,- op een derde, die zij niet had geïncasseerd, en dat er schuldigerkenningen van haar ouders bestonden waarover jaarlijks rente werd betaald, wat niet in het aanbod was meegenomen. Schuldhulpverlening was niet op de hoogte van deze renteverplichtingen en vermogensbestanddelen.
De rechtbank oordeelde dat het aanbod niet het maximaal haalbare was, mede omdat verzoekster onvolledig en onjuist had verklaard over haar financiële situatie en vermogensbestanddelen. De belangen van de schuldeiser wogen zwaarder dan die van verzoekster en overige schuldeisers. Daarom werd het verzoek tot gedwongen schuldregeling afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om de schuldeiser te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt afgewezen omdat het aanbod niet het maximaal haalbare betreft.