ECLI:NL:RBROT:2020:7871

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
2 september 2020
Publicatiedatum
8 september 2020
Zaaknummer
C/10/595475 / HA ZA 20-413
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 93 sub c RvArt. 71 lid 2 RvArt. 103 RvArt. 110 lid 1 RvArt. 8 lid 4 Wet griffierechten burgerlijke zaken
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwijzing civiele zaak over huurovereenkomst bedrijfsruimte naar bevoegde kantonrechter

Eiser was eigenaar van een bedrijfsruimte te Leerdam, verhuurd aan gedaagde die het pand onderverhuurde aan een derde. In juni 2017 brak er brand uit in het pand, waarbij een hennepkwekerij aanwezig was. Het pand werd volledig verwoest en eiser verkocht het in geruïneerde staat. Eiser vordert van gedaagde een schadevergoeding van €276.500 wegens de brand en gemiste huurinkomsten.

Gedaagde voert verweer en verwerpt de vordering. De rechtbank constateert dat de zaak direct verband houdt met een huurovereenkomst en dat volgens artikel 93 sub c Rv Pro de kantonrechter bevoegd is. Omdat eiser niet bij de kantonrechter heeft gedagvaard, verwijst de rechtbank de zaak ambtshalve naar de kantonrechter.

Verder bepaalt artikel 103 Rv Pro dat alleen de rechter binnen wiens rechtsgebied het gehuurde ligt bevoegd is, hier de rechtbank Midden-Nederland locatie Utrecht. Om onnodige doorverwijzing te voorkomen, verwijst de rechtbank Rotterdam de zaak rechtstreeks naar die kantonrechter. Partijen zijn hierover geïnformeerd en hebben geen bezwaar gemaakt.

De rechtbank wijst partijen op de procedurele gevolgen, zoals het niet hoeven verschijnen op de eerstvolgende rolzitting en het verlaagde griffierecht. Het vonnis is gewezen door mr. N. Freese en op 2 september 2020 openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De rechtbank verwijst de zaak naar de bevoegde kantonrechter van rechtbank Midden-Nederland locatie Utrecht.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/595475 / HA ZA 20-413
Vonnis van 2 september 2020
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats eiser] ,
eiser,
advocaat mr. R.H. Bouwman te Amsterdam,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats gedaagde] ,
gedaagde,
advocaat mr. E. Swart te Amsterdam.
Partijen zullen hierna “ [eiser] ” en “ [gedaagde] ” genoemd worden.

1..De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 7 april 2020, met producties,
  • de conclusie van antwoord, met producties,
  • de brief van de rechtbank over het voornemen tot verwijzing.
1.2.
Tenslotte is vonnis bepaald.

2..De feiten

2.1.
[eiser] was eigenaar van het pand gelegen aan het adres [adres] te Leerdam, hierna te noemen het pand. Het pand werd door [eiser] als bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 Burgerlijk Pro Wetboek aan [gedaagde] verhuurd.
2.2.
[gedaagde] heeft het pand onderverhuurd aan een derde. Op 17 juni 2017 is in het pand brand uitgebroken. Op dat moment was in het pand een hennepkwekerij aanwezig.
2.3.
Door de brand is het pand volledig verwoest. [eiser] heeft het pand in geruïneerde toestand aan een derde verkocht.

3..Het geschil

3.1.
Bij dagvaarding heeft [eiser] de rechtbank, zakelijk samengevat, gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 276.500,00 te vermeerderen met de wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.
3.2.
Aan deze vorderingen wordt, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Door het verwijtbare handelen van [gedaagde] en/of van de onderhuurder, is er in het pand brand uitgebroken. Door de aanwezigheid van een hennepkwekerij is de opstalverzekeraar van [eiser] niet tot schade-uitkering overgegaan. Ten gevolge van de staat van het pand heeft [eiser] het pand alleen tegen een veel lagere verkoopprijs kunnen verkopen. Daarnaast heeft [eiser] gedurende 20 maanden huurinkomsten misgelopen. [eiser] houdt [gedaagde] aansprakelijk voor de door hem geleden schade.
3.3.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de kosten van de procedure.

4..De beoordeling

4.1.
Bij de bestudering van de processtukken heeft de rechtbank geconstateerd dat de vorderingen van [eiser] direct verband houden met de in het verleden tussen partijen aanwezige huurovereenkomst. Artikel 93 sub c Wetboek Pro Van Burgerlijke Rechtsvordering, hierna Rv, bepaalt dat zaken betreffende huurovereenkomsten worden behandeld en beslist door de kantonrechter.
4.2.
Nu [eiser] zijn vordering niet heeft ingediend bij de kamer voor kantonzaken, zal de rechtbank de zaak op de voet van artikel 71 lid 2 Rv Pro ambtshalve naar die kamer verwijzen.
4.3.
Op grond van artikel 103, tweede volzin Rv is in zaken betreffende de huur van bedrijfsruimte, zoals hier aan de orde is, uitsluitend bevoegd de rechter binnen wiens rechtsgebied het gehuurde ligt. Het pand bevindt zich in Leerdam. De rechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht is om die reden uitsluitend bevoegd. Artikel 110 lid 1 Rv Pro bepaalt dat de juiste toepassing van hetgeen in artikel 103, tweede volzin Rv is vermeld, ambtshalve door de rechter wordt beoordeeld.
4.4.
De in artikel 71 Rv Pro vastgelegde verwijzingsregels lijken te impliceren dat op grond van die bepaling alleen binnen dezelfde rechtbank kan worden verwezen. In de voorliggende situatie zou dat betekenen dat na verwijzing naar de kantonrechter van deze rechtbank, de kantonrechter zich onbevoegd zal verklaren en op grond van artikel 73 Rv Pro de zaak naar de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht zal verwijzen.
4.5.
De rechtbank heeft bij brief van 5 augustus 2020 partijen in kennis gesteld van het voornemen om de zaak uit doelmatigheid rechtstreeks naar de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht te verwijzen. Na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, hebben partijen geen bezwaar gemaakt tegen de voornoemde verwijzing. De rechtbank zal dan ook conform haar eerdere voornemen tot verwijzing overgaan.

5. De beslissing

De rechtbank
5.1.
verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rolzitting van de kamer voor kantonzaken van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, op 16 september 2020 om 9:30 uur,
5.2.
wijst partijen erop dat zij zelf voor tijdige inschrijving van de zaak op de rol dienen zorg te dragen,
5.3.
wijst partijen erop dat zij op de hiervoor vermelde rolzitting niet hoeven te verschijnen, omdat de kantonrechter eerst zal beslissen op welke wijze de procedure zal worden voortgezet, waarna de griffier partijen over deze beslissing zal informeren,
5.4.
wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure niet meer vertegenwoordigd hoeven te worden door een advocaat, maar ook persoonlijk of bij gemachtigde kunnen verschijnen,
5.5.
wijst partijen erop dat het in deze procedure geheven griffierecht ingevolge artikel 8 lid 4 Wet Pro griffierechten burgerlijke zaken zal worden verlaagd en dat het teveel betaalde griffierecht door de griffier zal worden teruggestort.
Dit vonnis is gewezen door mr. N. Freese en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2020.
[1729;44481]