Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1..De procedure
- de dagvaarding van 7 april 2020, met producties,
- de conclusie van antwoord, met producties,
- de brief van de rechtbank over het voornemen tot verwijzing.
Rechtbank Rotterdam
Eiser was eigenaar van een bedrijfsruimte te Leerdam, verhuurd aan gedaagde die het pand onderverhuurde aan een derde. In juni 2017 brak er brand uit in het pand, waarbij een hennepkwekerij aanwezig was. Het pand werd volledig verwoest en eiser verkocht het in geruïneerde staat. Eiser vordert van gedaagde een schadevergoeding van €276.500 wegens de brand en gemiste huurinkomsten.
Gedaagde voert verweer en verwerpt de vordering. De rechtbank constateert dat de zaak direct verband houdt met een huurovereenkomst en dat volgens artikel 93 sub c Rv Pro de kantonrechter bevoegd is. Omdat eiser niet bij de kantonrechter heeft gedagvaard, verwijst de rechtbank de zaak ambtshalve naar de kantonrechter.
Verder bepaalt artikel 103 Rv Pro dat alleen de rechter binnen wiens rechtsgebied het gehuurde ligt bevoegd is, hier de rechtbank Midden-Nederland locatie Utrecht. Om onnodige doorverwijzing te voorkomen, verwijst de rechtbank Rotterdam de zaak rechtstreeks naar die kantonrechter. Partijen zijn hierover geïnformeerd en hebben geen bezwaar gemaakt.
De rechtbank wijst partijen op de procedurele gevolgen, zoals het niet hoeven verschijnen op de eerstvolgende rolzitting en het verlaagde griffierecht. Het vonnis is gewezen door mr. N. Freese en op 2 september 2020 openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De rechtbank verwijst de zaak naar de bevoegde kantonrechter van rechtbank Midden-Nederland locatie Utrecht.