De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van het vervalsen en gebruiken van betaalrekeningoverzichten in het kader van kinderopvangtoeslagfraude. De tenlastelegging betrof het opmaken en gebruiken van valse documenten over de periode van 2012 tot 2015.
Tijdens de terechtzitting op 25 augustus 2020 en de uitspraak op 8 september 2020 werd vastgesteld dat hoewel vervalste stukken op een USB-stick en laptop waren gevonden, er onvoldoende bewijs was dat verdachte deze had vervaardigd of gebruikt. De USB-stick stond op zijn naam, maar lag op de slaapkamer van een medeverdachte die de hoofdgebruiker was. Getuigenverklaringen waren onvoldoende specifiek om verdachte te belasten.
De officier van justitie had een taakstraf van 140 uur geëist, maar de rechtbank oordeelde dat het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend was bewezen. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van alle ten laste gelegde feiten.
De uitspraak benadrukt het belang van voldoende en overtuigend bewijs bij strafrechtelijke vervolging van fraudezaken, zeker wanneer meerdere personen betrokken zijn en bewijs op naam van anderen kan staan.