Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- verzoekers;
- mevrouw [naam 3] , werkzaam bij Kredietbank Rotterdam (hierna: schuldhulpverlening);
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Rotterdam
Verzoekers dienden een verzoek in op grond van artikel 287a Faillissementswet om een schuldeiser, ABN AMRO, te bevelen in te stemmen met een aangeboden schuldregeling. De regeling betrof een betaling van 17,34% van de totale schuldenlast, gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van de Participatiewet-uitkering.
ABN AMRO, schuldeiser met 97,1% van de schulden, weigerde in te stemmen omdat zij meent dat verzoekers meer kunnen betalen en dat de regeling niet het maximale haalbare betreft. Verzoekers zijn tot januari 2021 ontheven van arbeidsverplichting; verzoekster volgt een taalcursus die zij in januari 2021 zal afronden.
De rechtbank oordeelde dat onvoldoende is komen vast te staan dat het aanbod het uiterste is wat verzoekers kunnen betalen. Na afronding van de taalcursus kunnen verzoekers naar verwachting werken en inkomen genereren. Gezien het belang van ABN AMRO en de omvang van haar vordering weegt dit zwaarder dan het belang van verzoekers. Daarom wordt het verzoek afgewezen.
Uitkomst: Verzoek tot gedwongen schuldregeling wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid dat aanbod het uiterste is.