ECLI:NL:RBROT:2020:7944

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
14 september 2020
Publicatiedatum
10 september 2020
Zaaknummer
ROT 20/3690
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Rechters
  • E. van Lunenberg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:12 AwbArt. 6:20 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens prematuur beroep niet tijdig beslissen op bezwaar

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar tegen twee besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam waarin zijn bijstandsuitkering werd ingetrokken en bedragen werden teruggevorderd. De rechtbank oordeelt dat het beroep prematuur is omdat de beslistermijn voor het nemen van een besluit op bezwaar nog niet was verstreken op het moment van het indienen van het beroep.

De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn twaalf weken bedroeg vanaf de dag na bekendmaking van de besluiten op 13 mei 2020, waardoor de uiterste beslisdatum 5 augustus 2020 was. Het beroep, ingediend op 9 juli 2020, is daarmee te vroeg. Daarnaast is de rechtbank niet bevoegd om uitspraak te doen over klachtenprocedures bij de gemeentelijke ombudsman, aangezien deze niet als procespartij is betrokken.

Het verzoek van eiser om vaststelling van dwangsommen en toekenning van schadevergoeding wegens te late betaling van bijstand wordt afgewezen omdat het beroep niet-ontvankelijk is en er geen gegrond beroep is ingesteld. De rechtbank wijst het beroep af en verklaart het niet-ontvankelijk.

Uitkomst: Het beroep wegens niet tijdig beslissen op bezwaar wordt niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 20/3690
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 september 2020 als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen

[Naam], te [Plaats], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: L.A. Bouter.

Procesverloop

Bij twee besluiten van 13 mei 2020 heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiser ingetrokken met ingang van 17 februari 2020 en bedragen van € 987,99 en € 273,91 van eiser teruggevorderd.
Eiser heeft op 9 juli 2020 beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar door verweerder.

Overwegingen

1. De rechtbank doet met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. Uit artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb volgt dat voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit wordt gelijkgesteld. Uit artikel 6:12, tweede lid, van de Awb volgt dat het beroepschrift kan worden ingediend zodra: (a) het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en (b) twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
3. Niet is voldaan aan deze voorwaarden. Ten tijde van het indienen van het beroep op 9 juli 2020 was de beslistermijn als bedoeld in artikel 7:10, eerste lid, van de Awb nog niet verstreken. In dit geval is, gelet op bijlage 2 bij verweerders brief van 25 mei 2020 (gedingstuk 12), geen bezwaarschriftencommissie ingeschakeld. Dit betekent dat een beslistermijn geldt van zes weken te rekenen vanaf de dag na afloop van de bezwaartermijn, dat wil (gelet op de artikelen 6:7 en 6:8, eerste lid, van de Awb) zeggen twaalf weken te rekenen vanaf de dag na de bekendmaking van de twee besluiten op 13 mei 2020. De laatste dag van de beslistermijn voor het nemen van een besluit op bezwaar was daarom 5 augustus 2020.
4. Omdat eiser te vroeg beroep wegens niet tijdig beslissen op de bezwaren tegen de besluiten van 13 mei 2020 heeft ingesteld, is het beroep niet-ontvankelijk.
5. Eiser heeft de rechtbank verzocht vast te stellen welk bedrag aan dwangsommen verweerder heeft verbeurd. Eveneens heeft hij verzocht om een schadevergoeding wegens te laat betaalde bijstand. Omdat het beroep wegens niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk is komt de rechtbank niet toe de toekenning van een dwangsom, want daarvoor is op grond van artikel 8:55c van de Awb een gegrond beroep, waaruit volgt dat dwangsommen zijn verbeurd, noodzakelijk. Omdat de rechtbank niet aan een inhoudelijke beoordeling toekomt kan evenmin met toepassing van artikel 8:91 van Pro de Awb een schadevergoeding worden toegekend. Dit laatste verzoek zal de rechtbank daarom afwijzen.
6. Voor zover eiser in zijn beroepschrift stelt dat hij nog een zaak wil aandragen wegens het stilliggen van een klachtprocedure bij de gemeentelijke ombudsman merkt de rechtbank op dat dit niet mogelijk is. Uit artikel 9:3 van Pro de Awb volgt dat tegen een besluit inzake de behandeling van een klacht over een gedraging van een bestuursorgaan geen beroep kan worden ingesteld. De bestuursrechter is daarom niet bevoegd van een dergelijk geschil kennis te nemen. Omdat eiser alleen beroep heeft ingesteld wegens het niet tijdig beslissen door verweerder en hij in zijn digitale beroepschrift ook alleen verweerder heeft vermeld als verwerend bestuursorgaan en niet ook de gemeentelijke ombudsman, zal de rechtbank niet haar onbevoegdheid uitspreken, maar volstaan met de constatering dat zij niet bevoegd is zich over deze kwestie uit te laten.
7. Uit telefonische navraag van de griffier bij verweerder op 4 september 2020 is gebleken dat er nog niet is beslist op het bezwaar, zodat geen toepassing kan worden gegeven aan artikel 6:20 van Pro de Awb.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk en wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is op 14 september 2020 gedaan door mr. E. van Lunenberg, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Stijnen, griffier. De uitspraak zal openbaar worden gemaakt door die te publiceren op rechtspraak.nl.
De rechter en de griffier zijn verhinderd deze uitspraak te ondertekenen
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.