ECLI:NL:RBROT:2020:798

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
31 januari 2020
Publicatiedatum
3 februari 2020
Zaaknummer
FT EA 19/1822
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 FwArt. 287 lid 2 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek tot toepassing schuldsaneringsregeling wegens ontbreken deugdelijke minnelijk traject

Verzoeker diende op 24 december 2019 een verzoek in tot toepassing van de schuldsaneringsregeling (WSNP). De rechtbank beoordeelde of aan de wettelijke vereiste was voldaan dat voorafgaand aan het verzoek een deugdelijke poging tot een buitengerechtelijke schuldregeling was gedaan, zoals voorgeschreven in artikel 285 Faillissementswet Pro.

Uit de door de schuldbemiddelaar afgegeven verklaring bleek dat geen aanbod aan schuldeisers was gedaan en dat niet duidelijk was waarom een eerdere minnelijk regeling was mislukt. Bovendien stond verzoeker sinds februari 2019 onder beschermingsbewind, waardoor niet kon worden uitgesloten dat een nieuwe minnelijk regeling mogelijk was.

De rechtbank oordeelde dat verzoeker onvoldoende had aangetoond dat hij zich tot het uiterste had ingespannen om een minnelijk traject af te wikkelen. Een termijn om dit alsnog te doen werd niet gegund omdat een maand niet toereikend is voor een minnelijk traject.

Daarom werd het verzoek niet-ontvankelijk verklaard en kon de schuldsaneringsregeling niet worden toegepast.

Uitkomst: Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wegens het ontbreken van een deugdelijke poging tot een minnelijk traject.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
verzoek toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 31 januari 2020
[verzoeker],
wonende te [adres]
[woonplaats] ,
verzoeker.

1.De procedure

Verzoeker heeft op 24 december 2019 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. De uitspraak is bepaald op heden.

2.De beoordeling

In het verzoekschrift moet worden opgenomen een met redenen omklede verklaring dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen, aldus artikel 285, eerste lid, Faillissementswet.
De wetgever heeft het van belang geacht dat voorafgaande aan de wettelijke schuldsanering eerst een buitengerechtelijke schuldregeling wordt beproefd, dat bij een daarop volgend verzoek tot schuldsanering, een verklaring wordt overgelegd als omschreven in artikel 285 lid Pro 1, onder f Fw en dat deze verklaring een betrouwbaar kompas vormt voor de rechter bij de beoordeling of in voldoende mate een minnelijke regeling is beproefd. In het minnelijk traject moet de schuldenaar zijn best gedaan hebben om met zijn schuldeisers tot een regeling te komen voor zijn schulden (Kamerstukken II 2005-2006, 29 942, nr.7, p.18) en moet uitputtend zijn onderzocht of tussen schuldeisers en schuldenaar een minnelijke schikking kan worden getroffen (Kamerstukken II 2005-2006, 29 942, nr.7, p.28).
Ten behoeve van verzoeker is door de schuldbemiddelaar van de Kredietbank Rotterdam een verklaring ex art. 285 Fw Pro afgegeven waarin wordt vermeld dat er ‘
geen aanbod aan de crediteuren is gedaan, omdat er op verzoek van verzoeker en zijn beschermingsbewindvoerder een WSNP-verklaring is afgegeven en niet eerst nogmaals een minnelijk traject is doorlopen’.Uit de verklaring wordt niet duidelijk waarom een eerdere minnelijke regeling is mislukt. Daarnaast staat verzoeker sinds 12 februari 2019 onder beschermingsbewind waardoor niet uit te sluiten is dat een (nieuwe) minnelijke regeling met alle schuldeisers kan worden getroffen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verzoeker geen deugdelijke poging heeft gedaan om een minnelijke regeling te treffen.
Zonder een verklaring dat verzoeker zich tot het uiterste heeft ingespannen om met zijn schuldeisers tot een minnelijk vergelijk te komen, kan de schuldsaneringsregeling niet van toepassing worden verklaard.
De rechtbank gunt verzoeker geen termijn als bedoeld in artikel 287, tweede lid, Faillissementswet om de ontbrekende gegevens te verstrekken aangezien een termijn van één maand niet toereikend is om een minnelijk traject af te wikkelen.
Verzoeker zal op grond van het voorgaande niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.

3.De beslissing

De rechtbank:
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.C.A.M. Los, rechter, en in aanwezigheid van B.G. van der Vlies, griffier, in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2020. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.