ECLI:NL:RBROT:2020:8033

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
14 augustus 2020
Publicatiedatum
11 september 2020
Zaaknummer
C/10/601338 / FA RK 20-5687
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 WzdArt. 3.2.3 Wet langdurige zorgArtikel 2 lid 1 Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing rechterlijke machtiging opname en verblijf op grond van de Wet zorg en dwang

Het CIZ verzocht de rechtbank Rotterdam om een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf van een cliënt met een dementiesyndroom, waarschijnlijk vasculaire of gemengde dementie, op grond van artikel 26 van Pro de Wet zorg en dwang (Wzd).

Tijdens de mondelinge behandeling, waarbij cliënt, haar advocaat, casemanager en mantelzorgondersteuner werden gehoord, bleek dat het gedrag van cliënt recentelijk positief was veranderd. Cliënt verzorgt zichzelf beter, neemt medicatie in en is benaderbaar voor zorg, mede na een bezoek van haar advocaat.

De rechtbank constateerde dat er voldoende zorg en ondersteuning is via thuiszorg en mantelzorg, die nog opgeschaald kan worden. Cliënt weigert weliswaar dagbesteding, maar dit kan mogelijk veranderen. Gezien deze minder ingrijpende alternatieven acht de rechtbank opname niet noodzakelijk en wijst het verzoek af.

Tegen deze beschikking staat cassatie open.

Uitkomst: Het verzoek tot rechterlijke machtiging opname en verblijf wordt afgewezen vanwege het bestaan van minder ingrijpende mogelijkheden.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team familie
Zaak-/rekestnummer: C/10/601338 / FA RK 20-5687
Schriftelijke uitwerking van de mondelinge beslissing van 14 augustus 2020 betreffende een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf als bedoeld in artikel 26 van Pro de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten (hierna: Wzd)
op verzoek van:
het CIZ,
met betrekking tot:
[naam cliënt],
geboren op [geboortedatum cliënt] ,
hierna: cliënt,
wonende te [adres cliënt] , [postcode cliënt] [woonplaats cliënt] ,
advocaat mr. W.J.G. Schröder te Rotterdam.

1..Procesverloop

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoekschrift van het CIZ, ingekomen ter griffie op 28 juli 2020.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
  • het indicatiebesluit op grond van artikel 3.2.3 van de Wet langdurige zorg van
  • de medische verklaring, opgesteld en ondertekend door [naam sociaal geriater] , sociaal geriater, van 7 juli 2020;
  • de aanvraag voor een rechterlijke machtiging van 8 juli 2020.
1.2.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op
14 augustus 2020. Bij die gelegenheid zijn (overeenkomstig artikel 2 lid 1 van Pro de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid) via beeld- en geluidverbinding gehoord:
  • cliënt met haar hiervoor genoemde advocaat;
  • [naam casemanager] , casemanager, verbonden aan Careyn;
  • [naam mantelzorgondersteuner] , mantelzorgondersteuner, verbonden aan Senior Zorg Service.

2..Beoordeling

2.1.
Er is bij cliënt sprake van een dementiesyndroom, waarschijnlijk vasculaire of gemengde dementie. Er zijn de afgelopen periode heel veel indicaties geweest dat het niet goed ging met cliënt. Zo was haar zelfzorg slecht, zij liet niet toe dat zij daarbij geholpen werd en ze was verward. Ze belde vrijwel dagelijks naar de politie en ziekenhuizen in de regio omdat zij op zoek was naar haar (in 2018 overleden) echtgenoot en was dan compleet ontredderd als zij hem niet kon vinden. De casemanager heeft tijdens de mondelinge behandeling echter verklaard dat het gedrag van cliënt positief is veranderd sinds het recente bezoek van haar advocaat. De advocaat heeft cliënt een week voorafgaand aan de mondelinge behandeling bezocht. Cliënt lijkt erg te zijn geschrokken van het feit dat er een verzoek is ingediend om haar te laten opnemen. Sindsdien verzorgt cliënt zichzelf beter. Zo heeft zij haar haren gewassen, eet en drinkt zij beter, trekt zij elke dag schone kleding aan belt zij niet meer naar de politie. Ook neemt cliënt haar medicatie in en zij is benaderbaar voor de thuiszorg en de mantelzorgondersteuner. Cliënt is derhalve (nog) in staat om haar gedrag bij te sturen.
Hoewel er voldoende duidelijk is dat er zorgen zijn over cliënt, is het de vraag of deze momenteel zodanig zijn dat deze alleen door een opname weggenomen kunnen worden. Momenteel krijgt cliënt één keer in de week hulp van de thuiszorg en komt de mantelzorgondersteuner dagelijks twee uur bij haar langs om haar gezelschap te houden en vinger aan de pols te houden. De casemanager heeft desgevraagd verklaard dat de thuiszorg nog kan worden opgeschaald. Hoewel cliënt tot nu toe altijd geweigerd heeft om naar de dagbesteding te gaan, zal dat in de huidige situatie wellicht ook nog wel veranderen. De rechtbank stelt hiermee vast dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden.
2.2.
Gelet op het voorgaande wordt het verzoek afgewezen.

3..Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze beschikking is op 14 augustus 2020 mondeling gegeven door mr. D.I. Hendriks-Van Wel, rechter, in tegenwoordigheid van S.S. Rigters, griffier, en op 20 augustus 2020 schriftelijk uitgewerkt en getekend.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.