ECLI:NL:RBROT:2020:8374

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
25 september 2020
Publicatiedatum
23 september 2020
Zaaknummer
8503556 CV EXPL 20-10559
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWZorgverzekeringswet
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling zorgpremie en proceskosten in zorgverzekeringsgeschil

De zaak betreft een vordering van zorgverzekeraar DSW tegen een verzekerde die niet tijdig de zorgpremie heeft betaald voor de periode maart tot en met september 2019. DSW vordert betaling van de openstaande premie inclusief wettelijke rente en proceskosten. De gedaagde erkent de hoofdsom niet te betwisten, maar voert aan dat hij vanwege coronamaatregelen niet contant kon betalen en daardoor betalingsproblemen had.

De kantonrechter stelt vast dat de gedaagde gehouden is tot betaling van de premie en dat de vordering van DSW grotendeels toewijsbaar is. De buitengerechtelijke incassokosten worden slechts gedeeltelijk toegewezen omdat DSW in haar aanzegging een lager bedrag noemde dan later werd gevorderd. De gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van het toegewezen bedrag, vermeerderd met wettelijke rente, en in de proceskosten. De stelling dat het niet mogelijk was contant te betalen leidt niet tot vrijstelling van betaling.

Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De gedaagde moet de premie voldoen en de proceskosten dragen, waarmee het geschil in eerste aanleg is beslecht.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van achterstallige premie, wettelijke rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8503556 CV EXPL 20-10559
uitspraak: 25 september 2020
vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,
in de zaak van:
de onderlinge waarborgmaatschappij
Onderlinge Waarborgmaatschappij DSW Zorgverzekeraar U.A.,
gevestigd te Schiedam,
eiseres,
gemachtigde: GGN Mastering Credit,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats gedaagde] ,
gedaagde,
die in persoon procedeert.
Partijen worden hierna aangeduid als ‘DSW’ en ‘ [gedaagde] ’.

1..Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 28 april 2020, met producties;
de conclusie van antwoord en de aanvullende brief;
de conclusie van repliek, met producties;
de conclusie van dupliek.
Het vonnis is nader bepaald op heden.

2..De vaststaande feiten

2.1
Als enerzijds gesteld en anderzijds niet weersproken, staat het volgende tussen partijen vast.
2.2
[gedaagde] heeft bij DSW een zorgverzekering afgesloten zoals bedoeld in de Zorgverzekeringswet. Op grond van deze overeenkomst is [gedaagde] premie verschuldigd.

3..Het geschil

3.1
DSW vordert dat [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling aan DSW van een bedrag van € 579,84, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 april 2020 tot aan de dag van algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2
DSW legt nakoming van de verplichtingen uit de overeenkomst ten grondslag. [gedaagde] is gehouden om premie te betalen. [gedaagde] heeft niet aan deze verplichting voldaan voor de periode van maart tot en met september 2019. Hierdoor is een bedrag van € 964,- onbetaald gebleven. [gedaagde] heeft daarna nog een bedrag van € 575,- betaald, welk bedrag op de vervallen rente en buitengerechtelijke kosten reeds in mindering is gebracht. De achterstand bedraagt inclusief rente en kosten € 579,84.
3.3
[gedaagde] heeft op de vordering gereageerd. Hierop wordt voor zover van belang in deze procedure in het navolgende ingegaan.

4..De beoordeling

4.1
[gedaagde] heeft de verschuldigdheid van de hoofdsom niet weersproken, zodat de vordering voor dat deel wordt toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente. [gedaagde] is het niet eens met de proceskosten.
4.2
DSW maakt tevens aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. DSW heeft bij brief van 4 september 2019 een concrete aanzegging van de buitengerechtelijke kosten gedaan. In haar brief van 22 november 2019 heeft DSW de aangezegde kosten verhoogd met een bedrag van € 20,33 verhoogd (€ 16,80 + € 3,53). In deze brief benoemt DSW echter een hoger bedrag aan al verschuldigde kosten dan zij in haar brief van 4 september 2019 heeft aangezegd. Om die reden wordt slechts het lagere bedrag van € 107,45 + € 20,33 = € 127,78 toegewezen aangezien DSW voor het overige wel aan de wettelijke vereisten voor het vorderen van buitengerechtelijke kosten heeft voldaan.
4.3
De wet bepaalt dat de partij die in het ongelijk wordt gesteld de proceskosten moet betalen. [gedaagde] is het daar hier niet mee eens, omdat hij vanwege de coronamaatregelen niet de mogelijkheid had om de vordering contant te betalen. [gedaagde] had contant geld geleend van zijn broer, omdat er beslag is gelegd op de bankrekening en hij zelf geen smartphone of computer heeft om te internetbankieren. Hij heeft telefonisch aan GGN doorgegeven dat hij alleen contant kan betalen, maar vanuit GGN werd de verbinding verbroken. GGN erkent dat het niet mogelijk was om contante betalingen te doen en dat [gedaagde] telefonisch contact heeft opgenomen over de wens contant te betalen, maar zij stelt dat dit pas na dagvaarding is gebeurd, op 30 april 2020.
4.4
Het is aan [gedaagde] om zorg te dragen voor tijdige betaling van zijn rekeningen en daarom had het ook op zijn weg gelegen om zorg te dragen voor betaling door dan wel hierover afspraken te maken met GGN of op andere wijze te betalen. Indien GGN éénmaal de hoorn erop zou hebben gegooid, dan nog is dat niet zodanig dat [gedaagde] vervolgens zou kunnen denken dat hij zich niet meer in hoeft te spannen om zijn schuld te voldoen totdat hij op het kantoor van GGN terecht kan. DSW kon vanwege het uitblijven van betaling op goede gronden tot dagvaarding overgaan, zodat [gedaagde] als de ongelijk gestelde partij in de proceskosten wordt veroordeeld.

5..De beslissing

De kantonrechter
:
veroordeelt [gedaagde] aan DSW te betalen een bedrag van € 532,65, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW Pro vanaf 28 april 2020 tot aan de dag van algehele voldoening;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van DSW vastgesteld op € 499,- aan griffierecht, € 105,09 aan dagvaardingskosten en € 144,- aan salaris voor de gemachtigde;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.K. Rapmund en uitgesproken ter openbare terechtzitting.
41645