De rechtbank Rotterdam sprak verdachte vrij van het primair ten laste gelegde feit van afpersing en het subsidiaire feit van heling, omdat deze niet wettig en overtuigend bewezen konden worden. Wel werd verdachte veroordeeld voor verduistering van een gevonden telefoon en medeplegen van afpersing in vereniging met anderen.
De bewezenverklaring van medeplegen afpersing was gebaseerd op verklaringen van het slachtoffer en videobewijs waarin verdachte samen met anderen het slachtoffer dwong zijn telefoon af te geven onder bedreiging met een mes. Verdachte filmde het slachtoffer tijdens de afpersing, wat later op sociale media verscheen, wat de vernedering van het slachtoffer versterkte.
De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, de impact op het slachtoffer en de maatschappij, en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder eerdere veroordelingen en positieve rapportages van jeugdzorginstanties. De strafmaat werd vastgesteld op een werkstraf van 80 uur, met aftrek van voorarrest.
De benadeelde partij van het afpersingsfeit werd deels in haar materiële schadevergoeding toegewezen tot een bedrag van €250,- vermeerderd met wettelijke rente vanaf 16 maart 2020. De overige vorderingen werden niet-ontvankelijk verklaard vanwege onvoldoende onderbouwing of omdat deze bij de burgerlijke rechter moeten worden ingediend.
De rechtbank legde tevens een schadevergoedingsmaatregel op en bepaalde dat betaling door mededaders de verdachte bevrijdt van de betalingsverplichting.