ECLI:NL:RBROT:2020:8473

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
23 september 2020
Publicatiedatum
28 september 2020
Zaaknummer
C/10/583647 / HA ZA 19-929
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:185 lid 1 BW
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling gemeenschap garage en gebruiksvergoeding niet toegewezen wegens onbillijkheid

De rechtbank Rotterdam behandelde een geschil over de verdeling van een garage die in gemeenschap was verkregen door twee zussen, waarvan één overleden was. Na het overlijden was het aandeel van de overleden zus overgegaan op haar echtgenoot, die de garage sindsdien gebruikte. Eiseres vorderde primair toedeling van de garage aan gedaagde tegen een waarde van €85.000, subsidiair verkoop aan een derde, en een gebruiksvergoeding vanaf 2002.

De rechtbank oordeelde dat de primaire vordering tot toedeling werd afgewezen omdat gedaagde geen financiële middelen had om eiseres uit te kopen. Vervolgens werd gelast dat partijen de garage verkopen aan een derde en de opbrengst bij helfte delen. Een dwangsom werd opgelegd om medewerking aan verkoop af te dwingen.

De gevorderde gebruiksvergoeding werd afgewezen omdat eiseres te lang had gewacht met actie ondernemen en het geschil een familieaangelegenheid betrof waarbij gedaagde de garage niet verhuurde aan derden. De proceskosten werden gecompenseerd en het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De rechtbank gelast verkoop van de garage aan een derde en deelt de opbrengst, wijst gebruiksvergoeding af wegens onbillijkheid.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/583647 / HA ZA 19-929
Vonnis van 23 september 2020
in de zaak van
[naam eiseres],
wonende te [woonplaats eiseres] ,
eiseres,
advocaat mr. P.M. Boiten te Hendrik-Ido-Ambacht,
tegen
[naam gedaagde],
wonende te [woonplaats gedaagde] ,
gedaagde,
advocaat mr. J.H. Rodenburg te Rotterdam.
Partijen zullen hierna [naam eiseres] en [naam gedaagde] genoemd worden.

1..De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 27 september 2019,
  • de conclusie van antwoord,
  • de conclusie van repliek,
  • de conclusie van dupliek,
  • de overgelegde producties.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2..De feiten

2.1.
[naam gedaagde] was in gemeenschap van goederen gehuwd met een zus van [naam eiseres] . Deze zus/echtgenote is overleden op 7 april 2014.
2.2.
[naam eiseres] en haar zus waren gezamenlijk eigenaar van een garage (in de zin van: een bouwsel om een auto in te parkeren) op het adres [adres] , ieder voor de onverdeelde helft. [naam eiseres] en haar zus hadden deze garage verkregen krachtens erfrecht nadat hun moeder was overleden op 14 september 2002.
2.3.
Het aandeel van de zus in de garage is na haar overlijden in 2014 overgegaan op [naam gedaagde] .
2.4.
[naam gedaagde] woont veel dichter in de buurt van de garage dan [naam eiseres] . De garage is na het overlijden van moeder steeds in gebruik geweest bij de [naam gedaagde] en (bij leven) zijn echtgenote.
2.5.
Partijen en /of hun echtelieden hebben met elkaar gecorrespondeerd over toedeling van de garage aan [naam gedaagde] en zijn echtgenote, en met name over de vraag: tegen welke prijs? Die correspondentie heeft ieder geval plaatsgevonden in 2003 en 2006. Na het overlijden van de zus/echtgenote zijn de onderhandelingen hervat, maar tot verdeling van de garage is het tot op heden niet gekomen.

3..De vordering en het verweer

3.1.
[naam eiseres] vordert, samengevat, (vaststelling van) de verdeling van de garage:
- primair door deze toe te delen aan [naam gedaagde] tegen een waarde van € 85.000,
- subsidiair door verkoop van de garage aan een derde door een makelaar die de rechtbank moet benoemen, met veroordeling van [naam gedaagde] tot het verlenen van medewerking op straffe van verbeurte van een dwangsom,
- meer subsidiair toedeling van de garage aan [naam eiseres] , maar dan wel tegen een lagere waarde, namelijk van € 78.500,
- met veroordeling van [naam gedaagde] tot het betalen van een gebruiksvergoeding, met terugwerkende kracht tot oktober 2002, ad € 46.625,11,
- en met veroordeling van [naam gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
[naam gedaagde] voert verweer.
3.3.
De stellingen en weren zullen, waar nodig, in de beoordeling worden betrokken.

4..De beoordeling

4.1.
Het geschil betreft de verdeling van een gemeenschap (een garage) en een vergoeding voor het gebruik door [naam gedaagde] van de garage.
4.2.
Over de verdeling wordt als volgt geoordeeld.
4.3.
Indien de deelgenoten in een gemeenschap geen overeenstemming over de verdeling van een gemeenschap kunnen bereiken kan de rechter de verdeling daarvan op de voet van art. 3:185 lid 1 BW Pro vaststellen. Daarbij dient, zoals in dat artikel is bepaald, naar billijkheid rekening te worden gehouden met de belangen van partijen en het algemeen belang. De rechter die de verdeling vaststelt, geniet een mate van vrijheid en is niet gebonden aan hetgeen partijen over en weer hebben gevorderd en hij behoeft niet expliciet in te gaan op hetgeen partijen aanvoeren. (HR 17 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2631).
4.4.
[naam eiseres] vordert primair toedeling van de garage aan [naam gedaagde] , maar [naam gedaagde] voert aan dat hij geen geld heeft om [naam eiseres] uit te kopen. Er bestaat geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van dit verweer. De primaire vordering zal daarom worden afgewezen.
4.5.
De rechtbank zal partijen gelasten de garage te verkopen aan een derde, de opbrengst te delen bij helfte, zoals subsidiair gevorderd.
4.6.
Een dwangsom komt geraden voor. [naam gedaagde] maakt momenteel, en al jarenlang, gebruik van de garage. Dan bestaat het risico dat hij niet genegen is om tot een snelle verkoop van de garage te komen. Deze dwangsom zal worden beperkt en gematigd op na te melden wijze.
4.7.
De rechtbank ziet geen reden om zelf een makelaar te benoemen. Dat is onnodig. In geding is niet (meer) de vraag wat de waarde is van een - tussen partijen zelf - te verdelen garage. De rechtbank gaat er van uit dat de dwangsom een voldoende prikkel tot nakoming is voor [naam gedaagde] .
4.8.
Over de gevorderde gebruiksvergoeding wordt als volgt geoordeeld.
4.9.
De rechter kan bij een geschil tussen deelgenoten een regeling treffen over het gebruik van het gemeenschappelijk goed. Daarbij dient te worden beslist naar billijkheid, rekening houdend zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang. Deze regeling kan (niet: moet) inhouden dat de ene deelgenoot de andere deelgenoot een gebruiksvergoeding moet betalen omdat, zoals hier, slechts één van de deelgenoten van het gemeenschappelijk goed gebruik maakt.
4.10.
In de gegeven omstandigheden acht de rechtbank het niet billijk om een gebruiksvergoeding op te leggen. [naam eiseres] vordert (pas) thans een gebruiksvergoeding vanaf (maar liefst) 2002. [naam eiseres] had veel eerder actie kunnen, en moeten, ondernemen om het tot verdeling van de garage te laten komen. In plaats daarvan heeft zij de (gestelde) rekening steeds verder laten oplopen. Het gaat hier niet om een geschil in de zakelijke sfeer maar om een geschil met de (schoon)familie. [naam gedaagde] heeft de garage niet zelf verhuurd aan derden en de opbrengst daarvan in eigen zak gestoken. Hij heeft slechts zelf van de garage gebruik gemaakt, kennelijk omdat dat toevallig goed uitkwam nu de garage dichter bij hem in de buurt lag dan bij [naam eiseres] , namelijk in zijn woonplaats Rotterdam. De omstandigheid dat [naam gedaagde] geen geld heeft om [naam eiseres] uit te kopen wijst er niet op dat [naam gedaagde] kapitaalkrachtig is.
4.11.
De proceskosten tussen partijen zullen worden gecompenseerd, nu zij over en weer deels in het ongelijk gesteld worden.
4.12.
Het vonnis zal, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. De rechtbank acht het belang van [naam eiseres] dat daarmee is gediend zwaarder wegen dan het andersluidende belang van [naam gedaagde] .

5..De beslissing

De rechtbank
5.1.
gelast partijen de garage te verkopen aan een derde, de opbrengst te delen bij helfte,
5.2.
gelast [naam gedaagde] vanaf zeven dagen na betekening van onderhavig vonnis medewerking te verlenen aan deze verkoop, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100 per dag met een maximum van € 20.000,
5.3.
verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
bepaalt dat ieder van partijen de eigen proceskosten draagt,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. de Geus en ondertekend en in het openbaar uitgesproken door mr. J.F. Koekebakker, rolrechter, op 23 september 2020.
[2517/638]