ECLI:NL:RBROT:2020:8556

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
4 september 2020
Publicatiedatum
30 september 2020
Zaaknummer
C/10/598584 / JE RK 20-1718
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265c BW
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige wegens verstoorde ouderlijke communicatie

De zaak betreft een verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige die sinds juni 2020 in crisisopvang verblijft. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit, maar hun communicatie is ernstig verstoord, wat het welzijn van het kind negatief beïnvloedt.

De minderjarige heeft aangegeven bij geen van beide ouders te willen wonen, maar recentelijk wenst hij bij zijn moeder te verblijven. De gecertificeerde instelling (GI) heeft echter twijfels over de haalbaarheid van een langdurige plaatsing bij de moeder en stelt dat het kind niet langer in de crisisopvang kan blijven. Daarom is een overbrugging naar een open groep in Dordrecht gepland, met uitzicht op een structuurgroep in Rotterdam.

De kinderrechter concludeert dat het belang van het kind vraagt om verlenging van de uithuisplaatsing, gezien zijn kwetsbaarheid, de loyaliteitsproblematiek en het onvermogen van de ouders om adequate opvoeding en verzorging te bieden. De machtiging wordt verlengd tot 8 juli 2021 en de beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt verlengd tot 8 juli 2021.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
zaakgegevens: C/10/598584 / JE RK 20-1718
datum uitspraak: 4 september 2020

beschikking verlenging uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,

hierna te noemen de GI, gevestigd te Rotterdam,
betreffende

[naam kind] ,

geboren op [geboortedatum kind] 2006 te [geboorteplaats kind] , hierna te noemen [naam kind] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen de moeder, wonende te [woonplaats moeder] ,

[naam vader] ,

hierna te noemen de vader, wonende te [woonplaats vader] .

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
- de beschikking van deze rechtbank van 19 juni 2020 en de daarin genoemde stukken,
- de briefrapportage met bijlage van de GI van 2 september 2020, ingekomen bij de griffie op dezelfde datum,
- de brief van de vader van 3 september 2020, ingediend door de GI, ingekomen bij de griffie op dezelfde datum.
Op 4 september 2020 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.
Gehoord zijn:
- de minderjarige [naam kind] , die voorafgaand aan de zitting apart is gehoord,
- de moeder,
- de vader,
- een vertegenwoordigster van de GI, [naam vertegenwoordigster] .

De feitenHet ouderlijk gezag over [naam kind] wordt uitgeoefend door de ouders.

[naam kind] verblijft in een crisisopvang.
Bij beschikking van 19 juni 2020 is de ondertoezichtstelling van [naam kind] verlengd tot
8 juli 2021.
De kinderrechter heeft bij deze beschikking ook een machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend tot 19 september 2020. De beslissing voor het overig verzochte is aangehouden.

Het aangehouden verzoek

De GI heeft een machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder verzocht voor de duur van de ondertoezichtstelling. Nu resteert de periode tot 8 juli 2021.
De GI heeft het verzoek ter zitting gehandhaafd en als volgt toegelicht. [naam kind] lijdt onder de strijd tussen de ouders. De communicatie tussen de ouders is verstoord. Zij diskwalificeren elkaar als opvoeder en praten negatief over elkaar. [naam kind] heeft hier last van. [naam kind] heeft bij beide ouders gewoond, maar dit is niet goed gegaan. Tot kortgeleden gaf [naam kind] aan dat hij bij geen van beide ouders wilde wonen. Nu geeft hij aan dat hij bij zijn moeder wil wonen. [naam kind] maakt niet altijd verstandige keuzes en is beïnvloedbaar. De GI heeft er geen vertrouwen in dat een plaatsing bij de moeder voor lange termijn haalbaar is, maar [naam kind] kan ook niet voor lange tijd op de crisisopvang blijven. Gisteren heeft een intakegesprek plaatsgevonden bij Prokino. Dit gesprek is uit de hand gelopen. Er zal opnieuw een intakegesprek plaatsvinden zonder de aanwezigheid van ouders. De komende periode zal [naam kind] ter overbrugging naar een open groep in Dordrecht gaan en in het weekend naar de moeder, totdat een plek op de structuurgroep in Rotterdam beschikbaar is. Het is belangrijk dat er zicht komt op het gedrag van [naam kind] en dat vervolgens ambulante begeleiding en systeemtherapie wordt ingezet.

De standpunten

De moeder heeft ter zitting aangegeven dat zij het beste wil voor [naam kind] . De moeder ziet dat het niet goed gaat met [naam kind] op de crisisopvang. Zij wil het liefst dat [naam kind] naar huis toe komt. Het zou fijn zijn als [naam kind] op zijn huidige school kan blijven, want daar zit hij lekker in zijn vel. De moeder staat achter het plan van de GI.
De vader is het eens met het verzoek. Het is belangrijk dat [naam kind] uit zijn bekende omgeving wordt gehaald. [naam kind] moet rust krijgen. Volgens de vader wil [naam kind] niets meer met hem te maken hebben. De vader kan niets voor hem betekenen. De vader vindt dat de moeder het eenhoofdig gezag moet krijgen. De deur staat altijd voor [naam kind] open.

De beoordeling

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat er al lange tijd sprake is van een strijd tussen de ouders, waarbij zij elkaar diskwalificeren als opvoeder en niet met elkaar kunnen communiceren. Vanwege de verstoorde communicatie tussen de ouders is het gezin verscheurd. [naam kind] heeft veel last van de strijd tussen de ouders. Hij is een kwetsbare jongen die in de puberteit zit en met deze situatie worstelt. Omdat het belangrijk was om [naam kind] uit deze opvoedomgeving te halen, is hij op 19 juni 2020 in de crisisopvang geplaatst. [naam kind] verblijft tot op heden op de crisisopvang, waar het niet goed met hem gaat. Het is niet in het belang van [naam kind] om nog langer daar te verblijven. Ook wordt de loyaliteitsproblematiek steeds meer zichtbaar. [naam kind] heeft eerst aangegeven geen contact meer te willen met de moeder, maar geeft nu aan dat hij bij haar wil wonen. De kinderrechter sluit niet uit dat de mening van [naam kind] snel weer zal veranderen. Hij is op dit moment niet in staat om verstandige keuzes te maken en heeft hulpverlening nodig om zekerheid en stabiliteit te krijgen. De ouders zijn door hun onvermogen onvoldoende in staat om [naam kind] hierbij te helpen. [naam kind] is daarom aangemeld voor de structuurgroep van Prokino in Rotterdam. Ter overbrugging zal [naam kind] binnenkort naar een open groep in Dordrecht gaan. Hoewel de afstand van Dordrecht naar zijn school in Spijkenisse groot is, is het in het belang van [naam kind] om uit de crisisopvang weg te gaan. De kinderrechter is van oordeel dat een thuisplaatsing momenteel niet in het belang van [naam kind] is. De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder daarom verlengen voor de resterende duur. De komende periode is het van belang dat de lijn die de GI beoogd heeft, snel wordt doorgezet.
Uit het voorgaande volgt dat de verlenging van de uithuisplaatsing van [naam kind] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek).

De beslissing

De kinderrechter:
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder tot 8 juli 2021;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 september 2020 door mr. F. Aukema-Hartog, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Ruijgrok als griffier. De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 18 september 2020.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.