Art. 7:11 Wvggzhoofdstuk 7 Wvggzartikel 2 lid 1 Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing zorgmachtiging wegens ontbreken ernstig nadeel bij betrokkene met psychische stoornis
De rechtbank Rotterdam behandelde op 30 juni 2020 een verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een zorgmachtiging op grond van hoofdstuk 7 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), aansluitend op een voortzetting crisismaatregel. Betrokkene, die lijdt aan een psychische stoornis in de vorm van wanen, verbleef in Antes en werd bijgestaan door haar advocaat.
Tijdens de mondelinge behandeling werd vastgesteld dat betrokkene vriendelijk, rustig en meewerkend was en geen geagiteerd gedrag vertoonde. Hoewel er zorgen waren over mogelijke maatschappelijke teloorgang door conflicten met haar werkgever en het ontbreken van een woning, bleek dat betrokkene voldoende financiële middelen had en tijdelijk bij haar ex-man kon verblijven.
De rechtbank concludeerde dat er op dat moment geen sprake was van ernstig nadeel als bedoeld in artikel 7:11 WvggzPro. Gezien deze omstandigheden werd het verzoek tot zorgmachtiging afgewezen. Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.
Uitkomst: Het verzoek tot zorgmachtiging wordt afgewezen wegens het ontbreken van ernstig nadeel.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Team familie
Zaak-/rekestnummer: C/10/598510 / FA RK 20-4339
Betrokkenenummer: [nummer]
Schriftelijke uitwerking van de mondelinge beslissing van 30 juni 2020 betreffende een zorgmachtiging in aansluiting op een voortzetting crisismaatregel als bedoeld in artikel 7:11 vanPro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz)
op verzoek van:
de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam,hierna: de officier,
met betrekking tot:
[naam betrokkene],
geboren op [geboortedatum betrokkene] , [geboorteplaats betrokkene ] ,
thans verblijvende in Antes te [verblijfadres betrokkene] , [verblijfplaats betrokkene] ,
advocaat mr. D.Z. Peters te Rijswijk.
1..Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoekschrift van de officier, ingekomen op 17 juni 2020.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
de medische verklaring opgesteld door [naam 1] , psychiater, en getekend door [naam 2] , geneesheer-directeur, van 15 juni 2020;
de (niet-ondertekende) zorgkaart;
het zorgplan van 12 juni 2020;
de bevindingen van de geneesheer-directeur over het zorgplan;
de gegevens over eerder afgegeven machtigingen op grond van de Wet Bopz en de Wvggz;
de relevante politiegegevens van betrokkene.
1.2.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 30 juni 2020. Bij die gelegenheid zijn (overeenkomstig artikel 2 lid 1 vanPro de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid) via beeld- en geluidverbinding gehoord:
Bij die gelegenheid zijn verschenen:
betrokkene met haar hiervoor genoemde advocaat;
[naam 3] , psychiater, verbonden aan Antes.
1.3.
De officier is niet gehoord, omdat hij een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig achtte.
2..Beoordeling
2.1.
Hoewel volgens de onafhankelijk psychiater en de behandelend psychiater sprake is van een psychische stoornis bij betrokkene in de vorm van wanen, is ter zitting niet komen vast te staan dat het gedrag van betrokkene als gevolg daarvan op dit moment ernstig nadeel veroorzaakt. De psychiater verklaart ter zitting dat betrokkene vriendelijk is op de afdeling en dat zij niet geagiteerd is. Ze is rustig en meewerkend. De vrees van de behandelaren is gelegen in ernstige maatschappelijke teloorgang van betrokkene, vanwege het conflict tussen betrokkene en haar werkgever en het niet hebben van een woning.
Ter zitting is echter gebleken dat betrokkene ondanks het conflict met haar werkgever voldoende financiële middelen tot haar beschikking heeft. Zo wordt er nog loon uitbetaald. Ook is het mogelijk dat zij bij haar ex-man kan verblijven totdat zij een nieuwe woning kan vinden. De rechtbank is dus van oordeel dat er op dit moment geen sprake is van ernstig nadeel.
2.2.
Gelet op het voorgaande wordt het verzoek afgewezen.
3..Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze beschikking is op 30 juni 2020 mondeling gegeven door mr. L.R. Prins, rechter, in tegenwoordigheid van V. Merkouris, griffier, en op 9 juli 2020 schriftelijk uitgewerkt en getekend.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.