De officier van justitie verzocht op 5 juni 2020 om voortzetting van een crisismaatregel die op 4 juni 2020 was opgelegd aan betrokkene, die verblijft in een psychiatrische instelling. De mondelinge behandeling vond telefonisch plaats op 8 juni 2020 vanwege COVID-19 maatregelen, waarbij betrokkene, haar advocaat en behandelaars werden gehoord.
De rechtbank stelde vast dat er sprake was van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel, namelijk levensgevaar door meerdere recente zelfmoordpogingen en het horen van stemmen die betrokkene aanspoorden tot zelfbeschadiging. Dit nadeel wordt vermoed veroorzaakt door een chronisch psychotisch toestandsbeeld. De crisismaatregel is noodzakelijk omdat de procedure voor een zorgmachtiging niet kan worden afgewacht.
De rechtbank achtte het toedienen van medicatie, medische controles, beperking van bewegingsvrijheid, toezicht, controle op gedragsbeïnvloedende middelen en opname in een accommodatie noodzakelijk om het ernstige nadeel af te wenden. Andere door de officier verzochte zorgvormen werden afgewezen wegens onvoldoende noodzaak. Betrokkene verzette zich tegen de zorg, maar er waren geen minder bezwarende alternatieven.
De verplichte zorg werd als evenredig en effectief beoordeeld, rekening houdend met de bevordering van maatschappelijke deelname en veiligheid. De machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel werd verleend met een geldigheidsduur tot en met 29 juni 2020. Tegen deze beschikking staat cassatie open.