ECLI:NL:RBROT:2020:8700

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
28 augustus 2020
Publicatiedatum
1 oktober 2020
Zaaknummer
C/10/597760 / JE RK 20-1569
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van minderjarige in pleeggezin

De rechtbank Rotterdam behandelde op 28 augustus 2020 het verzoek van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond tot verlenging van de ondertoezichtstelling (OTS) en uithuisplaatsing (UHP) van een minderjarig kind dat sinds twee jaar uit huis geplaatst is en anderhalf jaar in het huidige pleeggezin verblijft.

De moeder oefent het ouderlijk gezag uit en wenst het kind terug thuis te laten wonen, terwijl de GI het belang van het kind ziet in voortzetting van de plaatsing in het pleeggezin. De moeder heeft positieve stappen gezet, zoals het verkrijgen van zelfstandige woonruimte en tien maanden abstinentie. De pleegouders en vader onderschrijven het belang van het kind, waarbij de pleegouders het contact met de moeder als belastend ervaren.

De kinderrechter stelt vast dat aan de wettelijke criteria voor verlenging van de OTS is voldaan en verlengt deze voor een jaar. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt verlengd, maar slechts voor zes maanden, waarna nader onderzoek door de GI wordt verlangd naar het toekomstperspectief van het kind, met bijzondere aandacht voor de rol en situatie van de moeder.

De zitting vond plaats met gesloten deuren, en de beslissing is uitvoerbaar bij voorraad. De zaak wordt aangehouden tot 1 maart 2021, waarbij de GI een rapportage moet overleggen. Voor de volgende zitting wordt een tolk in de Hongaarse taal geregeld om de moeder te ondersteunen.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling wordt verlengd voor een jaar en de machtiging tot uithuisplaatsing voor zes maanden met aanhouding voor nader onderzoek.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaakgegevens : C/10/597760 / JE RK 20-1569
datum uitspraak: 28 augustus 2020

beschikking verlenging ondertoezichtstelling en verlenging uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,

hierna te noemen de GI, gevestigd te Rotterdam,
betreffende

[naam kind] ,

geboren op [geboortedatum kind] 2018 te [geboorteplaats kind] , hierna te noemen [naam kind] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen de moeder, wonende te [woonplaats moeder] ,

[naam pleegmoeder] ,

en
[naam pleegvader],
hierna te noemen de pleegouders, wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
De kinderrechter merkt als informant aan:

[naam vader] ,

hierna te noemen de vader, wonende te [woonplaats vader] .

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 4 juni 2020, ingekomen bij de griffie op
5 juni 2020;
- de brief met bijlage van de GI van 10 juni 2020, ingekomen bij de griffie op
11 juni 2020.
Op 28 augustus 2020 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.
Gehoord zijn:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat, mr. P.V. Hübner,
- de vader,
- de pleegouders,
- een vertegenwoordigster van de GI, [naam vertegenwoordigster] .

De feiten

Het ouderlijk gezag over [naam kind] wordt uitgeoefend door de moeder.
[naam kind] verblijft in een perspectief biedend pleeggezin.
Bij beschikking van 3 oktober 2019 is de ondertoezichtstelling van [naam kind] verlengd tot
12 september 2020. De kinderrechter heeft bij deze beschikking ook de machtiging verlengd tot uithuisplaatsing van [naam kind] in een voorziening voor pleegzorg tot 12 september 2020.

Het verzoek

De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling van [naam kind] te verlengen voor de duur van een jaar.Tevens wordt verzocht de uithuisplaatsing van [naam kind] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
Ter zitting heeft de GI het verzoek gehandhaafd en als volgt toegelicht. [naam kind] is nu twee jaar uit huis geplaatst en hij verblijft anderhalf jaar in het huidige pleeggezin. De GI heeft het opvoedbesluit genomen dat [naam kind] in dit gezin op zal groeien. Er zijn gesprekken met de ouders gevoerd. Zowel de ouders als de pleegouders stellen het belang van [naam kind] voorop. De moeder heeft echter te kennen gegeven dat zij graag wil dat [naam kind] weer thuis komt wonen. Na bezoeken met de moeder is [naam kind] overstuur. De moeder wil hem iedere keer beetpakken. Hiermee handelt zij niet vanuit de behoefte van [naam kind] . Wat de hechting betreft is dit een belangrijke fase voor [naam kind] . Het contact tussen moeder en kind is belangrijk. Met het oog op het reeds bepaalde perspectief is de bezoekfrequentie terug gebracht.

Het standpunt van de moeder

Namens en door de moeder is te kennen gegeven dat de moeder zich kan verenigen met een verlenging van de ondertoezichtstelling. De moeder kan echter niet instemmen met een verlenging van de machtiging uithuisplaatsing.
Er ligt geen duidelijke contra-indicatie voor een terugplaatsing van [naam kind] bij de moeder.
In de afgelopen periode is de moeder juist heel hard aan de slag gegaan met de gestelde doelen. Zij heeft grote stappen in de goede richting gezet. Zo beschikt zij op dit moment over zelfstandige woonruimte (een studio) en zij is al tien maanden clean. De moeder wil dan ook graag weer zelf voor [naam kind] zorgen. Ook zou zij graag de bezoekfrequentie omhoog gebracht zien, naar een keer per twee weken in plaats van een keer per zes weken. Van de jeugdbeschermer mag de moeder tijdens de bezoeken alleen maar naar [naam kind] kijken, terwijl zij juist spelletjes met hem wil doen.
De advocaat heeft verzocht om de duur van de machtiging uithuisplaatsing te beperken en in de komende periode nader onderzoek te doen naar het perspectief van [naam kind] . De GI dient een onderbouwing te geven voor het standpunt waarom [naam kind] niet terug geplaatst zou kunnen worden bij de moeder.

Het standpunt van de pleegouders

De pleegmoeder heeft medegedeeld dat [naam kind] zich binnen het pleeggezin goed ontwikkelt. Hij gaat twee dagen per week naar de kinderopvang. Er wordt gezien dat de moeder en de vader zich tijdens de bezoeken met [naam kind] verschillend opstellen. De moeder is met haar telefoon bezig en wil met [naam kind] knuffelen. Dit is belastend voor hem. De vader daarentegen is rustig en houdt zijn telefoon buiten het zicht van [naam kind] en wacht af tot [naam kind] naar hem toekomt.

De mening van de vader

De vader heeft kenbaar gemaakt dat hij vindt dat [naam kind] terug moet worden geplaatst. Hij is van mening dat de GI fouten maakt. De bezoeken van [naam kind] aan de vader verlopen anders dan de bezoeken aan de moeder. De vader geeft rust aan [naam kind] .

De beoordeling

Nu het verzoek tot ondertoezichtstelling niet is weersproken en uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) is voldaan, zal de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [naam kind] verlengen voor de duur van een jaar.
Ook is de verlenging van de uithuisplaatsing van [naam kind] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding als bedoeld in artikel 1:265b, eerste lid, BW. Wel ziet de kinderrechter aanleiding om de duur van de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing te beperken tot zes maanden en het verzoek voor het overige aan te houden. In dit verband overweegt de kinderrechter het volgende.
Kennelijk heeft de GI eind juli 2020 een opvoedbesluit genomen. De GI stelt zich op het standpunt dat het in het belang van [naam kind] is dat hij in het pleeggezin zal opgroeien. De kinderrechter is van oordeel dat een dergelijk besluit niet te lichtvaardig mag worden genomen en daarom duidelijk dient te zijn omschreven en voldoende en deugdelijk dient te zijn onderbouwd. Dit is nu niet het geval. Zeker nu de moeder positieve stappen heeft gezet en stabiliteit in haar leven lijkt te hebben bewerkstelligd, dient de GI inzichtelijk te maken hoe en waarom men tot dit besluit is gekomen en in hoeverre de situatie van de moeder daarbij een rol heeft gespeeld. Indien de GI van mening is dat de moeder ook met gezinsondersteuning niet in staat is om voor [naam kind] te zorgen, dient ook dit te worden gemotiveerd.
Gelet hierop wordt de GI verzocht om de komende periode (alsnog) nader onderzoek te doen naar het toekomstperspectief van [naam kind] . De kinderrechter is het met de GI eens dat de aanvaardbare termijn in het gedrang komt en dat het van belang is dat duidelijk wordt bij wie [naam kind] zal opgroeien. Ook dient er aandacht te zijn voor de frequentie en invulling van de omgangsregeling, waarbij de behoeften en belangen van [naam kind] leidend zullen zijn.
In verband met het bovenstaande wordt de GI verzocht om tegen hierna genoemde datum een briefrapportage aan de kinderrechter (met afschrift aan de belanghebbenden en aan de advocaat van de moeder) te overleggen met de uitkomsten van bedoeld onderzoek en gemotiveerd aan te geven of het verzoek voor het overig verzochte al dan niet wordt gehandhaafd. Voor een eventuele volgende zitting dient de GI zorg te dragen voor een tolk in de Hongaarse taal om de moeder bij te staan.

De beslissing

De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [naam kind] tot 12 september 2021;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] in een voorziening voor pleegzorg, tot 12 maart 2021;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

en alvorens verder te beslissen:

Bepaalt dat de behandeling van de zaak wordt aangehouden tot
1 maart 2021 pro forma.
Bepaalt dat de GI en belanghebbenden op de genoemde pro forma-datum niet ter zitting behoeven te verschijnen.
Verzoekt de GI uiterlijk twee weken voor de genoemde datum de kinderrechter de verzochte rapportage te doen toekomen
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2020 door mr. A. Verweij, kinderrechter, in tegenwoordigheid van M.A. den Hartog als griffier.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 4 september 2020.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.