ECLI:NL:RBROT:2020:9005

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
9 oktober 2020
Publicatiedatum
8 oktober 2020
Zaaknummer
8317205 CV EXPL 20-5099
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:245 lid 4 BWArt. 6:170 BWArt. 6:162 BWArt. 1:253k BWArt. 1:349 BW
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid vordering schadevergoeding mishandeling minderjarige door leraar wegens ontbreken wettelijk vertegenwoordiger

Eiseres heeft namens haar minderjarige dochter een vordering tot schadevergoeding ingesteld tegen de stichting PCPO wegens mishandeling door een leraar op 20 september 2019. De vordering is gebaseerd op zowel artikel 6:170 BW Pro als artikel 6:162 BW Pro, met een eis tot vergoeding van materiële en immateriële schade tot € 25.000.

De rechtbank oordeelt dat de minderjarige dochter de materiële procespartij is en dat eiseres als haar moeder en wettelijk vertegenwoordiger had moeten optreden. Dit volgt uit artikel 1:245 lid 4 BW Pro, dat bepaalt dat minderjarigen in rechte vertegenwoordigd moeten worden door hun wettelijk vertegenwoordiger. Eiseres heeft echter de dagvaarding op eigen naam uitgebracht zonder haar hoedanigheid als wettelijk vertegenwoordiger te vermelden.

Hoewel eiseres bij repliek een machtiging van de kantonrechter overlegt om namens haar dochter te procederen, heeft zij haar hoedanigheid in de procedure niet gewijzigd. Hierdoor is zij niet-ontvankelijk in haar vordering. De rechtbank komt daarom niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak en veroordeelt eiseres in de proceskosten.

Uitkomst: Eiseres wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van haar hoedanigheid als wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige en veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Zaaknummer: 8317205 CV EXPL 20-5099
Uitspraak: 9 oktober 2020
vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,
in de zaak van
[eiseres], hierna: ‘ [eiseres] ’,
wonende te [woonplaats eiseres] ,
eiseres bij exploot van dagvaarding van 30 januari 2020,
gemachtigde: mr. W.H.J.W. de Brouwer te Rotterdam,
tegen
de stichting
STICHTING VOOR PROTESTANTS CHRISTELIJKE PRIMAIR ONDERWIJS BARENDRECHT EN RIDDERKERK, hierna: ‘PCPO’,
gevestigd te Barendrecht,
gedaagde,
gemachtigde: mr. B.M. Paijmans te Utrecht.

1..Het verloop van de procedure

1.1
Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding, met producties;
  • de conclusie van antwoord, met producties;
  • de brief van 22 mei 2020 van de gemachtigde van PCPO;
  • de conclusie van repliek tevens wijziging van eis, met producties;
  • de conclusie van dupliek.
1.2
De kantonrechter heeft de datum van de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2..Het geschil

2.1
[eiseres] heeft, na wijziging van eis, gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
primair:
voor recht te verklaren dat PCPO zowel voor als na het incident onzorgvuldig jegens [naam] heeft gehandeld en daarnaast op grond van artikel 6:170 BW Pro aansprakelijk is voor alle door [naam] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade (tot een beloop van € 25.000,-) als gevolg van de mishandeling van 20 september 2019, dan wel
subsidiair:
voor recht te verklaren dat PCPO zowel voor als na het incident onzorgvuldig jegens [naam] heeft gehandeld en daarnaast op grond van artikel 6:162 BW Pro aansprakelijk is voor alle door [naam] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade (tot een beloop van € 25.000,-) als gevolg van de mishandeling van 20 september 2019,
zowel primair als subsidiair:
met veroordeling van PCPO in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente.
2.2
Aan die vordering heeft [eiseres] -sterk samengevat- ten grondslag gelegd dat PCPO op grond van artikel 6:170 BW Pro dan wel artikel 6:162 BW Pro aansprakelijk is voor de materiële en immateriële schade die haar dochter [naam] , geboren op [geboortedatum] 2008, als leerlinge van [school] heeft geleden en nog lijdt als gevolg van een mishandeling door een van haar leerkrachten op 20 september 2019.
2.3
PCPO heeft gemotiveerd verweer gevoerd, dat strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiseres] in het door haar gevorderde, dan wel tot afwijzing daarvan, met veroordeling van [eiseres] , voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van de procedure.
2.4
Op hetgeen PCPO daartoe naar voren heeft gebracht alsook op hetgeen [eiseres] overigens (mede in reactie op dat verweer) heeft aangevoerd, wordt hierna, voor zover van belang voor de uitkomst van de procedure, teruggekomen.

3..De beoordeling

3.1
Vooropgesteld wordt het hier materieel gezien gaat om een vordering van [naam] , de minderjarige dochter van [eiseres] . Zij zelf is, als minderjarige, in beginsel onbekwaam tot het verrichten van proceshandelingen en wordt -behoudens een aantal in de wet voorziene uitzonderingen, die hier niet aan de orde zijn- op grond van artikel 1:245 lid 4 BW Pro zowel in als buiten rechte vertegenwoordigd door degene(n) onder wiens gezag zij staat.
3.2
Een en ander brengt met zich dat om de onderhavige vordering door de kantonrechter te kunnen laten beoordelen, [eiseres] in het exploot van dagvaarding tot uitdrukking had dienen te brengen dat zij te dezen optrad als formele procespartij ten behoeve van [naam] , de materiële procespartij, derhalve in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [naam] . Dat heeft [eiseres] echter niet gedaan. Zij heeft het exploot van dagvaarding immers op eigen naam laten uitbrengen, als ware zij zelf de materiële procespartij, terwijl het hier, als gezegd, om een vordering van de minderjarige [naam] gaat. Dat alles heeft tot gevolg dat [eiseres] hierna niet-ontvankelijk in het door haar gevorderde wordt verklaard en dat aan een inhoudelijk beoordeling van de zaak daarom niet wordt toegekomen.
3.3
De door [eiseres] bij repliek als productie 2 overgelegde machtiging van de kantonrechter (als bedoeld in artikel 1:253k jo. 1:349 BW) kan tot geen ander oordeel leiden. Weliswaar wordt [eiseres] daarmee een machtiging verleend een procedure tegen PCPO te starten, maar dan wel in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger (als formele procespartij) van [naam] (de materiële procespartij), en in die hoedanigheid is zij deze procedure niet gestart. Evenmin heeft [eiseres] haar hoedanigheid bij repliek in die zin gewijzigd. Zij heeft weliswaar bij repliek de grondslag van haar vordering uitgebreid in die zin dat zij primair de vordering baseert op artikel 6:170 BW Pro en subsidiair op grond van artikel 6:162 BW Pro, doch blijkens het voorblad van de conclusie van repliek treedt zij onverminderd op in haar eigen hoedanigheid en dus niet (tevens) in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [naam] . Aangezien [eiseres] derhalve haar hoedanigheid bij repliek niet heeft gewijzigd, kan de vraag of het überhaupt mogelijk is om hangende de procedure de hoedanigheid te veranderen verder in het midden blijven.
3.4
Op de voet van artikel 237 Rv Pro wordt [eiseres] in de kosten van de procedure veroordeeld.

4..De beslissing

De kantonrechter:
- verklaart [eiseres] niet-ontvankelijk in het door haar gevorderde;
- veroordeelt [eiseres] in de kosten van de procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van PCPO vastgesteld op € 420,- aan salaris voor haar gemachtigde, en verklaart dit vonnis voor wat betreft deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Wetzels en uitgesproken ter openbare terechtzitting.
654