Op 7 juni 2018 bedreigde de verdachte twee medewerkers van de Raad voor de Kinderbescherming in Rotterdam met de woorden "Vuile kankerhoer, als je mijn kind weghaalt dan vermoord ik je" en "Ik ga jullie vermoorden als je mijn kind weghaalt". Dit gebeurde terwijl hij hen achterna liep en zijn gezicht zeer dicht bij een van hen bracht, wat objectief een redelijke vrees voor het gepleegde misdrijf veroorzaakte.
De verdachte gaf een bekennende verklaring af, maar stelde dat zijn uitlatingen voortkwamen uit frustratie en onmacht zonder intentie tot uitvoering. De rechtbank verwierp dit subjectieve verweer en oordeelde dat de bedreiging wettig en overtuigend bewezen was.
Er waren geen omstandigheden die de strafbaarheid van het feit of de verdachte uitsloten. De rechtbank hield rekening met eerdere veroordelingen van de verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn van twee jaar, wat leidde tot strafvermindering.
Gelet op de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte legde de rechtbank een geldboete van €150,- op, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De verdachte moet zich gedurende deze periode niet schuldig maken aan nieuwe strafbare feiten.
De rechtbank sprak de verdachte vrij van hetgeen meer of anders ten laste was gelegd dan bewezen verklaard. Dit vonnis werd uitgesproken door de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam op 15 oktober 2020.