De huurder had een woning gehuurd van Vestia en hield een huurachterstand tot en met juli 2019. Na een burgemeesterssluiting van de woning op grond van de Opiumwet werd de huurovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden. Partijen sloten een overeenkomst waarin de huurder schadevergoeding gelijk aan de huur verschuldigd bleef tot oplevering van de woning na opheffing van de sluiting.
Vestia verzocht meerdere malen de burgemeester om opheffing van de sluiting, die uiteindelijk op 25 november 2019 plaatsvond. De huurder leverde de woning pas op 17 januari 2020 op. Vestia vorderde betaling van de huurachterstand en schadevergoeding over deze periode, vermeerderd met wettelijke rente en incassokosten.
De huurder betwistte de schadevergoeding na juli 2019 en stelde dat Vestia haar schadebeperkingsplicht had geschonden door traag te handelen in het verzoek tot opheffing. De kantonrechter oordeelde dat Vestia inderdaad niet voortvarend had gehandeld, waardoor de schade over de periode van 1 augustus 2019 tot 17 januari 2020 gelijk moest worden verdeeld tussen partijen. De vordering tot incassokosten werd afgewezen omdat de aanmaning niet op het juiste adres was verzonden.
De kantonrechter veroordeelde de huurder tot betaling van € 1.840,40 aan huurachterstand en schadevergoeding, vermeerderd met wettelijke rente, en tot betaling van proceskosten aan Vestia. Het meer of anders gevorderde werd afgewezen.