ECLI:NL:RBROT:2020:9203

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
6 oktober 2020
Publicatiedatum
13 oktober 2020
Zaaknummer
C/10/602775 / JE RK 20-2392
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:265b lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond verzocht de rechtbank om de ondertoezichtstelling van een minderjarige te verlengen en een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen voor de duur van een jaar. De minderjarige vertoont problematisch gedrag, zoals het niet naleven van afspraken, het niet volgen van onderwijs en het niet accepteren van gezag, wat leidt tot ernstige zorgen over haar ontwikkeling en veiligheid.

De moeder en vader steunen het verzoek en uiten hun bezorgdheid over de situatie, mede na een incident waarbij de minderjarige enkele dagen vermist was en mogelijk in contact was met een onbekende oudere man. De kinderrechter oordeelt dat de veiligheid van de minderjarige bij de moeder thuis niet langer kan worden gegarandeerd en dat voortzetting van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing noodzakelijk is.

De beschikking verlengt de ondertoezichtstelling tot 16 oktober 2021 en verleent een machtiging tot uithuisplaatsing in een jeugdhulpaccommodatie voor dezelfde periode. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden aangevochten door belanghebbenden.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige worden verlengd voor de duur van een jaar.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
zaakgegevens: C/10/602775 / JE RK 20-2392
datum uitspraak: 6 oktober 2020

beschikking verlenging ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,

hierna te noemen de GI, gevestigd te Rotterdam,
betreffende

[naam minderjarige] ,

geboren op [geboortedatum minderjarige] 2004 te [geboorteplaats minderjarige] , hierna te noemen [voornaam minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen de moeder, wonende te [woonplaats moeder] ,

[naam vader] ,

hierna te noemen de vader, wonende te [woonplaats vader] .

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 21 augustus 2020, ingekomen bij de griffie op dezelfde datum.
Op 6 oktober 2020 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.
Gehoord zijn:
- de moeder,
- de vader,
- een tweetal vertegenwoordigsters van de GI, mw. [naam vertegenwoordigster 1] en mw. [naam vertegenwoordigster 2] .
[voornaam minderjarige] is in de gelegenheid gesteld om haar mening kenbaar te maken.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] wordt uitgeoefend door de ouders.
Bij beschikking van 3 oktober 2019 is de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] verlengd tot 16 oktober 2020.

Het verzoek

De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Tevens wordt een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder verzocht voor de duur van een jaar.
De GI heeft het verzoek ter zitting gehandhaafd en als volgt toegelicht. Het lukt [voornaam minderjarige] niet om de afspraken die zij op de vorige zitting met de kinderrechter gemaakt heeft na te komen. Gebleken is dat [voornaam minderjarige] positieve ontwikkelingen niet lang weet vast te houden. Daarnaast staat [voornaam minderjarige] niet open voor hulpverlening, waardoor deze onvoldoende van de grond komt. Ook gaat [voornaam minderjarige] nog steeds niet naar school toe. De GI wil [voornaam minderjarige] graag plaatsen op een behandelgroep. [voornaam minderjarige] heeft onlangs een intakegesprek bij De Fjord gehad. [voornaam minderjarige] kan helaas niet terecht bij De Fjord, gezien het feit dat zij niet open staat voor behandeling. [voornaam minderjarige] is vorige week van huis weggelopen en een aantal dagen vermist geweest. De politie denkt [voornaam minderjarige] in een hotel gezien te hebben, waar zij met een onbekende (oudere) man zou zijn geweest. Ook zou [voornaam minderjarige] dure lingerie gekocht hebben. Naar aanleiding hiervan overweegt de GI een plaatsing op een meidengroep. Ter overbrugging van een plaatsing van [voornaam minderjarige] op een groep wil de GI ambulante hulp inzetten.

De standpunten

De moeder is het eens met het verzoek. De moeder maakt zich ernstige zorgen over [voornaam minderjarige] . De moeder is heel erg geschrokken van het verhaal van de politie. [voornaam minderjarige] ontkent dat zij met een oudere man in een hotel is geweest. De moeder heeft [voornaam minderjarige] veel kansen gegeven, maar het lukt haar niet meer om de veiligheid van [voornaam minderjarige] te waarborgen. De moeder vindt het belangrijk dat [voornaam minderjarige] naar school gaat. De moeder hoopt dat een groep [voornaam minderjarige] kan bieden wat zij nodig heeft.
De vader is het eens met het verzoek. De vader wil [voornaam minderjarige] graag beschermen. Het lijkt alsof [voornaam minderjarige] in haar eigen wereld zit. Het is belangrijk dat [voornaam minderjarige] leert omgaan met gezag en autoriteit.

De beoordeling

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat [voornaam minderjarige] nog ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. [voornaam minderjarige] vertoont zelfbepalend gedrag, gaat niet naar school en accepteert het gezag van haar ouders niet. Er vinden regelmatig conflicten plaats tussen [voornaam minderjarige] en de moeder. Daarbij is [voornaam minderjarige] niet gemotiveerd voor hulpverlening en houdt zij zich niet aan de afspraken, ook niet aan de afspraken die zij eerder maakte met de kinderrechter. De ingezette hulpverlening van De Viersprong heeft daardoor onvoldoende effect gehad. De ouders zijn onvoldoende in staat om [voornaam minderjarige] op een adequate manier te begrenzen. Het is belangrijk dat [voornaam minderjarige] niet verder zal afglijden. Ter zitting heeft de GI aangegeven dat [voornaam minderjarige] een aantal dagen vermist is geweest en door de politie in een hotel is gezien met een onbekende (oudere) man en veel geld bij zich had. De ouders en de GI maken zich mede daarom veel zorgen om [voornaam minderjarige] . Die zorgen zijn terecht.. De inzet van de jeugdbeschermer blijft daarom noodzakelijk om de veiligheid van [voornaam minderjarige] te waarborgen. Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat een uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] nu noodzakelijk is geworden, ook omdat de veiligheid van [voornaam minderjarige] bij de moeder thuis niet langer kan worden gewaarborgd.
Het is belangrijk dat er de komende periode onderzocht wordt wat in het belang van [voornaam minderjarige] nodig is.
Uit het voorgaande volgt dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 BW Pro. De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] daarom verlengen voor de duur van een jaar. Ook is een uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265b, eerste lid, BW). De kinderrechter zal daarom ook een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] verlenen voor de duur van een jaar.

De beslissing

De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] tot 16 oktober 2021;
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder met ingang van 16 oktober 2020 tot 16 oktober 2021;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. J. van Driel, kinderrechter, in tegenwoordigheid van I.E. Teunissen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2020.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 13 oktober 2020.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.