Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1..Het verdere verloop van de procedure
2..De verdere beoordeling
3..De beslissing
:
Rechtbank Rotterdam
In deze civiele zaak vordert ING Bank B.V. betaling van een schuld van de gedaagde. ING moest bewijzen dat zij op 7 juni 2012 een opeisbrief heeft verzonden die de gedaagde heeft bereikt, en dat zij tijdig brieven heeft gestuurd waarin zij haar recht op nakoming uitdrukkelijk voorbehoudt, waardoor een nieuwe verjaringstermijn zou zijn gestart.
ING leverde een overzicht van betalingen uit 2011 en 2012 en een telefoonnotitie uit 2018 over een gesprek met de gedaagde over betalingsproblemen. De gedaagde betwistte kennis van de vordering en het bestaan van telefonisch contact, evenals het doen van betalingen in 2011 en 2012.
De rechtbank oordeelde dat ING niet heeft bewezen dat de opeisbrief en de voorbehoudsbrieven zijn verzonden en ontvangen door de gedaagde. Bovendien was de vordering op het moment van het telefoongesprek in 2018 al verjaard. Daarom wees de rechtbank de vordering af.
ING werd veroordeeld in de proceskosten, terwijl de gedaagde, die in persoon procedeerde zonder gemachtigde, geen griffierecht verschuldigd was.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering af wegens onvoldoende bewijs van ontvangst opeisbrief en verjaring.